OLD HENGEL

De historie van Hengelo Gld

 

 


 

20e EEUW

 

Een bijzondere geneesheer, Arend Meinders

 

Hengelo heeft een huisarts gehad die liefst 66 jaar lang praktiseerde. Arend Meinders was een excentriek persoon die zijn eigen gang ging. Kwalifica­ties over hem variëren van kroepspecialist tot geldwolf. Hij was zeer actief in het dorpsleven. Hij had zitting in vele besturen van verenigingen en commis­sies en heeft als zodanig veel gedaan voor de Hengelose gemeenschap. Vooral voor de Tweede Wereldoorlog was hij van grote invloed. Door zijn uitgesproken mening botste hij dikwijls met anderen.. Hij was tot zijn dood op 92-jarige leeftijd in 1956 nog actief als arts, wat hem tot de oudste praktiserende huisarts van Nederland maakte. Een portret van een bijzondere geneesheer.

 

Geneesheren in Hengelo

In de 18e eeuw moet ene Planten al enige geneeskunst in Hengelo hebben uitgeoefend. De eerste arts in dienst van de gemeente Hengelo was ‘heel- en vroedmeester’ J.F.L. Schneider (1830–1834). In 1835 kwam J.A.L. Millies, die tot 1881 bleef. Hij zal heel wat meegemaakt hebben, maar moet een bescheiden man zijn geweest. Zijn jaarsalaris van honderd gulden per jaar werd namelijk in die 46 jaar nooit verhoogd. Opvallend was dat de vroedvrouw en veearts in die tijd een hoger salaris (200 gulden) ontvingen.

D.H. Wildschut Rijnders hield het daarna zes jaar vol, hij kreeg ineens 500 gulden per jaar! In 1887 kwam H. Ernste, die op 1 februari 1889 op eigen verzoek eervol ontslag kreeg. Na het vertrek van Ernste had Hengelo anderhalf jaar geen eigen huisarts.

De opvolger van Ernste was Arend Meinders. Hij werd geboren op 2 mei 1864 in Groningen. Na de HBS studeerde hij in 1890 aan de Groningse universiteit af als arts. Zijn eerste ervaring deed hij op in Schildwolde (gemeente Slochteren), waar hij enige maanden bleef. Bij raadsbesluit van 2 september 1890 werd Arend benoemd tot gemeente­geneesheer van Hengelo. Op 26 september begon hij met zijn praktijk. Hij vestigde zich in 1894 aan de Raadhuisstraat naast kolenboer Harmsen. Dit huis was in de vorige eeuw bewoond door de burgemeesters L. Mossel en W. Wilbrenninck. Arend trouwde in 1890 met Bouchiena de Jager (1863–1928). Ze kregen vier kinderen; dochter Albertina (1894-1986) huwde in 1918 met Louis Tjeenk Willink (1890-1933), later huisarts in Steenderen.

 

Gezondheidszorg rond de eeuwwisseling

De gemeentegeneesheer was in dienst van de gemeente. Naast zijn eigen praktijk voor particulieren stond in zijn instructie dat hij gratis alle genees- en heelkundige hulp, waaronder ook verloskundige hulp, moest verlenen aan de gemeenteveldwachter en vaste gemeentewerklieden en hun gezinnen en voorts aan al de min- en onvermogenden, die zich daartoe aanmeldden met een door de burgemeester ondertekend consent. Hiervoor ontving hij 800 gulden als jaarwedde. Voor elk recept dat hij uitschreef ontving hij 50 cent vergoeding, zodat hij daar uiteraard kwistig mee rondstrooide. In de tijd dat Meinders begon als huisarts stond de gezondheidszorg in Nederland op een laag pitje. Antibiotica waren onbekend, de slechte hygiëne (drinkwater, riolering, voedsel, kleding) veroorzaakte vele problemen. Niemand zag het nut van een betere hygiëne in. Een belangrijke vooruitgang was dat in het midden van de 19e eeuw alleen hoogopgeleiden (genees-, heel- en verloskundigen) bevoegdheden kregen. De stadschirurgijn, de plattelandsheelmeester en de talloze kwakzalvers moesten het veld ruimen. Grotere welvaart (voor die tijd dan), betere voeding, inentingen tegen pokken, voorschriften voor begraven, slachten en keuringen hadden het sterftecijfer laten dalen van 31.2 per 1000 in 1850 naar 17.8 in 1900. Het aantal bevoegde geneeskundigen was toen nog maar gering. In een dorp als Hengelo was Meinders ook apotheker en tandarts. Huisartsen behandelden vrijwel alle medische gevallen, slechts zelden kwam iemand in het ziekenhuis. De inkomsten waren laag en de bezoeken aan de patiënten deed hij in een tilbury getrokken door een paard. Vooral ’s nachts op de onverharde wegen in het donker was het buitenaf een heel avontuur om ze te bereiken. Later verbeterden fiets en auto het vervoer aanzienlijk. De dokter deed veel zelf, van bevallingen tot beenbreuken, van amputaties tot het trekken van een kies (zonder verdoving...). Er zijn gevallen bekend die wegens ernstig bloedverlies in het ziekenhuis terecht kwamen. Er waren nog vele ziektes en epidemieën, waarover weinig controle was: TBC, typhus en vooral difterie waren berucht. Het schijnt dat Meinders met een middel uit Duitsland veel zieken wist te helpen. Ook tegen TBC en vooral struma (kroep) schijnt hij probate middelen te hebben gehad, waardoor patiënten van heinde en verre naar hem toe kwamen.

 

Een staat van dienst

In 1913 was Meinders mede-oprichter van het ‘Algemeen Afdeelingsziekenfonds’, dat later Oost-Gelderland – Zuid-Overijsel (OGZO) heette. Door de komst van ziekenfondsen was medische zorg en met name specialistische hulp toegankelijk voor meer mensen. Hij was voorzitter van de artsenorganisatie, bestuurslid (en lange tijd voorzitter) van de marktvereniging, Groene en Rode Kruisvereniging en oranjevereniging Wilhelmina, lid van feestcommissies bij inhuldiging van Meyjes en Knottenbelt, feestcommissie van de Onafhankelijkheidsfeesten in 1913, feestcommissie 50-jarig jubileum Concordia 1911, Commissie tot Wering van het Schoolverzuim, Commissie tot verharding van Lankhorsterstraat en oprichter van het Hengelo’s Leesgezelschap. Van 1927 tot 1939 was hij raadslid, waarvan vier jaar als wethouder voor de Liberale Staatspartij. Hij stond daardoor in hoog aanzien. Zo was hij bij de marktvereniging eerst gewoon bestuurslid, maar vaak en vooral zodra het moeilijk werd, zat hij de vergadering voor, net als Koning dat bij de CSH (zuivelfabriek) deed. In artikels staat vermeld dat hij 57 jaar voorzitter was, maar dat is onjuist. Hij werd pas in 1919 de opvolger van J. Klem als voorzitter. Voorts was Meinders voorzitter van de landelijke artsenorganisatie en lid van het hoofdbestuur van de geneeskunst. Bij zijn 50-jarig artsenjubileum op 21 maart 1940 werd hij door koningin Wilhelmina benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Zowel bij dit feest als bij het unieke 60-jarig (!) jubileum werd hij door de Hengelose bevolking gehuldigd. Bij de laatste gelegenheid werd gewag gemaakt van het feit dat hij nog steeds op de hoogte was de nieuwste vakliteratuur en geneesmethoden.

 

Een rel rond een zwervende vrouw

Meinders kwam duidelijk voor zijn mening uit. Daardoor botste hij met mensen die niet met hem eens waren. Hij ging zijn eigen gang, trok zich van weinigen aan. Al in 1895 werd hij bekeurd wegens fraude met gewichten. Vooral met de bepaling in zijn instructie dat hij verplicht was armoedzaaiers geneeskundige hulp te geven had hij erg veel moeite. Hij leefde constant in onmin met de ‘vader’ van het Armenhuis, Gerard Lenselink, omdat hij bij zieken in het huis er met de haren bij gesleept moest worden.

In het bijzonder met vroedvrouw Garritje Hilferink werkte hij steeds op gespannen voet. In 1903 beschuldigde hij haar van een ongepast optreden. Zij zou mensen ophitsen tegen hem. Ook met burgemeesters, raad, collega-artsen, veldwachters, burgers en andere leden van commissies waar hij in zat, lag hij dikwijls in de clinch. In 1910 kwam dit tot een uitbar­sting die een verdeeldheid onder de bevolking en de gemeenteraad veroorzaak­te. Aanleiding was de verlossing bij een zwervende vrouw op 10 maart 1910. De Zutphense Courant berichtte: Een zwervende vrouw, aan wie gisteravond van gemeentewege een onderko­men was verstrekt in het arrestantenlokaal, is daar hedennacht bevallen, en zal nu enkele dagen verblijf moeten houden.

De volgende dag werden er door Knottenbelt drie vragen gesteld aan de hoofdin­specteur van Volksgezondheid over de verplichting van gemeentegeneesheer en gemeentevroedvrouw ten aanzien van (gratis) hulpverlening bij armen:

1. Is verlossing alleen assisteren bij geboorte of moet acchoucheur wanneer er geene vrouwelijke hulp (bv. van buren) aanwezig is, het geboren kind wasschen enz.

2. Is het nodig dat bij onderzoek water en zeep en sublimaat (voor desinfectie van de handen) aanwezig is. Is sublimaat goed?

3. Is het geoorloofd een zwervende vrouw die bevallen is, den derden dag na de verlossing weg te zenden, en haar weg als vagebonden te doen vervolgen, indien zij dat niet in een woonwagen doen kan, maar genoodzaakte te lopen? Of meent U dat een langer verblijf in de gemeente noodzakelijk zou zijn?

Een en ander was niet volgens de regels verlopen. We hoeven geen detective te zijn om hier enige schrijnende toestanden uit te halen over de gezondheidszorg in die dagen, zeker bij zwervers. Meinders moest als gemeentearts gratis hulp aan zwervers en armen verlenen, maar probeerde zich er snel en makkelijk af te maken. Het was nog erger dan uit de vragen bleek. Meinders had namelijk eerst helemaal niet willen komen, tot de burgemeester hem persoonlijk had opgehaald. Eenmaal aangekomen in het arrestantenlokaal had hij er zich met een jantje-van-leiden af willen maken. Hij wilde zijn handen niet wassen, beweerde dat thuis al te hebben gedaan. In het arrestantenlokaal was geen ontsmettings­middel aanwezig geweest.

In de raadsvergadering van 28 april kwam de vraag of Meinders zich aan instructie-overtreding had schuldig gemaakt. Het debat zou uren duren - alleen D.J. Jansen zei al een uur nodig te hebben voor vragen - zodat dit uitgesteld werd tot 4 mei. Bij dit vervolg trok Jansen de conclusie dat de vroedvrouw in haar plicht was tekort geschoten. Knottenbelt bestreed dit en toonde aan dat mej. Hilferink niet schuldig was aan instructie-overtreding. Helmich hield een pleidooi voor haar: ze had al 24 jaar met de meeste toewijding haar “moeitevolle” taak uitgevoerd en mocht zich daarom in de hoge achting van alle moeders verheugen. Helmich had geen oordeel over het gedrag van de dokter, maar “het was niet de eerste maal, dat er dienaangaande klachten zijn”. Knottenbelt was het hier geheel mee eens. Jansen daarentegen bleef bij zijn mening.

Jansen vroeg of de burgemeester zelf aan Meinders verzocht had te komen. Knottenbelt beaamde dit, maar Meinders was niet direct gekomen. Hij had volgens de instructie na de eerste oproep moeten verschijnen en was dus schuldig. Jansen merkte op dat de instructie niet deugde en nam daarmee duidelijk Meinders in bescherming. Want daar had hij eerder mee moeten komen en niet na zo’n overtreding. De voorzitter verzocht Jansen “wiens onwelwillende toon hem koud liet, niet zulke gekke vragen te doen”. Jansen vond zelfs dat de dokter meer gedaan had dan zijn plicht was. Wethouder Hilderink was van mening dat vroedvrouw èn arts tekort waren geschoten: dus moesten beiden een berisping hebben. Over dit voorstel staakten de stemmen: voor waren Hilderink, Helmich, Heerink en Hiddink. Kelholt en Enzerink stemden blanco, de overigen tegen. De beslissing werd tot de volgende vergadering uitgesteld. Op 9 mei kreeg mej. Hilferink kreeg een vermaning omdat ze niet onmiddellijk hulp had verleend aan de zwervende vrouw. Ze protesteerde en vroeg dit in te trekken. Ook Meinders kreeg uiteindelijk een berisping al duurde dit tot 24 juni. De sluwe vos schreef direct een brief naar de commissaris van de koningin, zo bleek uit het Geheime Brievenboek:

 

Excellentie!

Nadat in de gisteren gehouden Raadsvergadering de modelin­structie van de N.M. van de gemeente was voorgelezen, ondervond zij veel tegenhouding van de zijde van de burgemeester. Op voorstel van D.J. Jansen werd in stemming gebracht, deze nieuwe instructie aan te nemen, zo noodig met eenige kleine wijzigingen, wanneer de Raad dit noodzakelijk mocht achten. Dit voorstel werd aangenomen met op één na algemeene stemmen. Dit was de burgemeester niet naar wensch. Hij deed, alsof geene beslissing genomen was, haalde de oude instructie weer voor de dag, bepraatte de raadsleden dat deze toch wel beter was en liet thans door den Raad deze oude instructie met een kleine wijziging aannemen. Excellentie, ik meende aan Uw oordeel te moeten onderwerpen, of deze wijze van handelen van de burgemeester correct is. Met deze oude instructie zal er elk oogenblik een stok kunnen gevonden worden om den hond te slaan. Beleefd kom ik U vragen, Uwe macht te willen aanwenden opdat het voorstel dat toch met bijna algemeene stemmen werd genomen de nieuwe instructie aan gemeentegeneesheer en vroedvrouw te geven, van kracht te doen blijven. Ondertekend A. Meinders

 

De commissaris liet de burgemeester niet direct vallen, want hij stuurde een brief naar Knottenbelt, waarin hij bovenstaande letterlijk citeerde... Hij verzocht aan Knottenbelt om te reageren, en dat was een kolfje naar diens hand. Hij verklaarde dat Meinders waarheid en leugens met elkaar vermengde. Knottenbelt deed uit de doeken hoe het werkelijk was verlopen tijdens de raadsvergadering:

Op voorstel van raadslid D.J. Jansen was door de Raad besloten de instructie der Maatschappij ter Bevordering der Geneeskunde als model te gebruiken en door haar aan te vullen met die bepalingen, welke de Raad speciaal voor de gemeente Hengelo noodig oordeelde. Toen bij artikelsgewijze behandeling van de model-instructie bleek dat het aantal wijzigingen zo groot was dat een goede redactie onmogelijk werd, en bovendien de strekking der nieuwe instructie weer dezelfde werd als die der bestaande, besloot de Raad toch de laatste in haren vorm te handhaven, met alleen de wijzigingen die men verlangde. Zelfs D.J. Jansen, die zich als pleitbezorger voor Meinders had opgeworpen, kon hier niets tegen inbrengen. Hij verzette zich niet tegen intrekking van het oorspronkelijke besluit. Dat ik deed alsof geene beslissing in tegenovergestelde zin gevallen was, gelijk Meinders te kennen geeft, is derhalve onjuist. Zoiets zou trouwens niet door den Raad worden geduld.

 

In verband met de opmerking door U gemaakt tijdens Uw laatste bezoek aan de gemeente, dat in de toenmaals bestaande instructie de dokter teveel aan de willekeur van de burgemeester was overgeleverd, heeft de Raad op mijn uitdrukkelijk verlangen het eenige artikel waarin hiervan sprake zou kunnen zijn, in dien zin veranderd dat de beslissing niet meer aan de burgemeester maar aan B&W is opgedragen.

Waar Meinders insinueert dat de thans van kracht zijnde in­structie aanleiding zou geven tot willekeurige handelingen tegenover hem, berust die mening op eene fictie. Noch de Raad, noch B&W, noch de burgemeester hebben de bedoeling den gemeentearts moeilijkheden in den weg te leggen. Maar wat de Raad wel wenscht, en ik met hen is een waarborg dat de gemeente­arts, de man die belast is met den armenpraktijk, en daarvoor ruim bezoldigd ook inderdaad de diensten presteert die in redelijkheid van hem verlangd worden. Een waarborg, die althans ten opzichte van Meinders hoognodig is.

 

Wijziging van de instructie

Op 30 september werd toch een gewijzigde instructie voor gemeentegeneesheer vastgesteld. Ook de vroedvrouw kreeg een nieuwe voorgeschoteld. De dokter kreeg voortaan nog maar 30 cent vergoeding per recept voor het verstrekken van medicamenten aan armlastigen. Dit was 20 cent minder. Meinders probeerde daarna zijn recht te halen via de Inspecteur der Volksgezondheid, Dr. J.C.I. van der Hagen in 's Hertogenbosch. Meinders had weer pech dat ook deze functionaris om opheldering vroeg bij Knottenbelt. De inspecteur schreef dat hij het eens was met de veranderde instructie en dat hij hoogst verbaasd was over enige opmerkingen van Meinders. De huisarts viel vooral over de bepaling “grof plichtsverzuim zal onmiddellijk ontslag ten gevolge kunnen hebben”.

Knottenbelt antwoordde als volgt: In antwoord op de missive van 16 november van U deel ik U mede dat ik mij Uwe verbazing over het onware schrijven van de heer Meinders levendig kan voorstellen. Het schrijven van de heer Meinders toont al weer aan, dat de strijdmiddelen waarvan hij zich bedient, niet bepaald van de edelste zijn. Zijne onbetrouwbaarheid komt hierdoor weer eens schitterend voor den dag, en juist die instructie is het, dat die eene strenge instructie noodzakelijk maakt. Ik vertrouw erop U met dit schrijven te hebben aangetoond, dat hier inderdaad een 'misverstand' heeft plaatsgehad, al is dat dan ook misschien door de firma Meinders & Co opzettelijk in de wereld gebracht.

Dat “firma Meinders & Co.” getuigde van weinig respect en diepe minachting.

 

Ontslag als gemeentegeneesheer

Voorlopig was de kwestie hiermee afgedaan. Een jaar of tien later kwam het onder Reijnst weer aan de orde in de raadsvergadering van 26 januari 1921. Morsink kon de aanleiding hiertoe niet ontdekken. In notulen van betreffende raadsvergaderingen was niets te vinden, zodat hij tot de conclusie kwam dat het in het geheim behandeld moest zijn. Gedeputeerde Staten werd hierbij misleid, want deze zouden niet anders geweten hebben dan dat het in het openbaar was behandeld. Desalniettemin bleek het ernst te zijn. G.S. keurde een raadsbesluit tot ontslag van Meinders als gemeentegeneesheer goed. Dit werd op 16 juni 1922 bekend gemaakt. Meinders was daarmee niet meer in dienst van de gemeente en voortaan een ‘vrije’ huisarts. Hij ging zelf accoord met het ontslag, omdat de Pensioenraad hem over de 32 dienstjaren pensioen verleende en de gemeente zich verplichtte het verschil tussen pensioen en salaris als gemeentegeneesheer te vergoeden. Daarmee behield hij zijn oude salaris, zonder daar iets voor te doen! Aangezien hij tot 1956 in leven bleef, heeft deze afspraak veel geld gekost voor Pensioenraad en gemeente. Bij zijn overlijden was hij zeer draagkrachtig, aldus Morsink. Deze ambtenaar schreef verder over hem: Meinders had politiek gezien zeer liberale opvattingen. Hij was erg hebberig en liet zich niet opzij schuiven. Tot aan zijn einde was geld en nog eens geld zijn voornaamste zorg.

 

Meer over Meinders

In mei 1919 zorgde Meinders tijdens de vergadering van de Geneeskundige Kring in Zutphen voor een vermakelijk incident. Hofstede opent de vergadering, waarna de notulen worden voorgelezen en goedgekeurd. Hierna steekt de heer Meinders een sigaar op, hetwelk in verband met de aangekondigde rookverbodmaatregel een kort, ietwat ontstemd debat veroorzaakt.

In 1920 leefde Meinders opnieuw in onmin met de raad, die het plan had opgevat de Kerkstraat te verbeteren door verbreding en riolering. Meinders schreef een protestbrief namens meerdere inwoners. De kosten van ƒ60.000 zouden een belastingverhoging betekenen en daar was een bepaalde conservatieve groep fel tegen. Hij vond een verbetering onnodig. Verkeer naar Ruurlo kon ook door de Polsbroek (later Regelinkstraat), het Kreunenstraatje (Marktstraat) of door de Raadhuisstraat langs Langeler. Ook uit schoonheidsoogpunt mocht het niet doorgaan. Het was een echt dorpsstraatje dat een eigenaardig cachet gaf aan Hengelo als dorp. In dat laatste opzicht had hij vermoedelijk wel gelijk.

Vele oudere inwoners van Hengelo herinnerden zich de huisarts nog goed. Vooral de T-Ford waarin hij zich stapvoets voortbewoog stonden in de geheugens gegrift. “Die moest hij eerst aanslingeren, vervolgens reed hij dan vol gas, maar zeer traag weg”.

Vanaf 1908 was er meestal nog een praktiserende huisarts in Hengelo, maar geen enkele meer in dienst van de gemeente. Van Ingen was de eerste collega (of concurrent) van Meinders, daarna volgden De Rooy, Domisse, Dwars, Beems, Ter Bals en Schreuder.

 

 

Lange tijd was Meinders voorzitter van de Marktvereniging.

In 1948 werd hij gehuldigd (50 jaar marktvereniging)

   

 

 

In 1956 stierf Arend Meinders op 92-jarige leeftijd.

Het pand aan de Raadhuisstraat werd later (helaas) gesloopt. In 1958 werd het aan de gemeente te koop aangeboden door de nabestaanden. Hoewel toegegeven werd dat het op het mooiste punt van het dorp stond en geschikt was voor bewoning van meerdere gezinnen of bebouwing van meerdere huizen, vond de raad het te duur. Nu is op die plek een appartementencomplex gebouwd met de naam Meindershof.

 

 

 

Eerder verschenen in het boek Daar midden in de Graafschap (2001)

© W.J.M. Hermans, 2001

 


Home