OLD HENGEL

De historie van Hengelo Gld

 

 


 

19e en 20e EEUW

 

De burgemeesters van Hengelo

 

In vrijwel elke plaats zijn straten in het centrum vernoemd naar personen, die in het verleden veel betekend hebben, meestal een burgemeester of wethouder. Zo niet in Hengelo. De enige namen die voorkomen in het straat­namenbestand zijn Herman van Velzen en Ouweleen, maar het is onwaarschijnlijk dat de bedenkers er bij hebben stilgestaan dat het hier een persoon betrof. D. Ouweleen (1847-1925) was bewoner van Villa Louise aan de Aaltenseweg. Hij behoorde tot de notabelen, die vroeger in allerlei commissies en besturen zitting hadden; Ouweleen was gemeenteraadslid, lid van bestuur Tramwegmaatschappij De Graafschap, bestuurslid van Nederlandsche Protestantenbond. Zijn vrouw was een zuster van P. Mossel, burgemeester van 1873-1901.

Nu zal niet elke burgemeester in aanmerking komen voor een eeuwige herinnering, maar bij het naderen van het einde van Hengelo is het toch interessant even terug te zien enkele burgervaders. In 1811 werd voor het eerst iemand benoemd met een functie, die leek op het huidige burgemeesterschap. Eerst wat algemene geschiedenis met betrekking tot dorpsregenten.

In 1795 waren er al belangrijke veranderingen gekomen in de organisatie en het bestuur van een gemeente. De Fransen vielen ons land binnen en hervormden de boel. Hiermee kwam een einde aan de zeggenschap van landdrosten en hun hulpofficieren, de richters. Zij waren vooral belast met de handhaving van orde en veiligheid. In de 18e eeuw had Hengelo slechts twee rich­ters gekend. Een man met een exotische naam, Aaron Exalto d'Almaras, was richter van 1702 tot 1757. Hij was zoon van een Spaanse legerkapitein. Dochter van Aaron, Aleida Agneta Exalto d'Almaras, trouwde in 1727 met Philippus Jacobus Snethlage. Deze Snethlage was de eerste uit een serie van drie generaties die predikant in Hengelo waren. Philippus preekte van 1724 tot 1756, zijn zoon tot 1794 en diens zoon (Rutger Tobias, die de pastorie aan de Ruurloseweg inruilde voor 'Het Hof' aan de Hofstraat) weer tot 1823.

Terug naar de richters. De opvolger van Exalto d'Almaras was Lambert Arnold Willinck, die het ook een hele tijd volhield: van 1757 tot het uitroepen van de Bataafse Republiek in 1795. Vanaf dat jaar was Hengelo geen richterambt meer. Een nieuwe maatschappij en nieuwe staatsinrichting kon tot stand komen. Naar Frans voorbeeld waren alle mensen nu vrij en gelijk, zowel roomskatholieken als protestanten kwamen in vertegenwoordigende lichamen. Het betekende ook de doodsteek voor de ambachtsgilden, die van zulk grot belang waren geweest in de middeleeuwen.

In maart 1795 werd een nieuw soort regering van het dorp gekozen: de 'municipaliteit'. Na klokgelui kwam de burgerij in de kerk bijeen om de eerste municipaliteit te kiezen. Uitver­koren werden 6 mannen: Jacob Grothe (woonde op 't Zelle), Derk Willem Becking, Berend Hesselink, Reijnd Langel, Jan Daris en Jan Bleumink. De voormalige richter Lambert Arnold Willinck mocht secretaris van de municipaliteit worden. Tot de taken van dit gezelschap behoorden o.a.: handhaving van orde en veiligheid, onderhoud wegen, zorg voor brandspuiten, ijking van gewichten, maten en ellen, zorg voor vereiste zwaarte en prijs van de broden, Burgerlijke Standzaken, benoemen van onderwijzers en predikanten, betalen van rekeningen van kerk en armenzorg. Waarmee tevens veel taken van de marken worden overgenomen, die dan ook snel in betekenis verloren. De municipaliteit was een kort leven beschoren. Per 4 mei 1798 trad een Staatsregeling in werking en werden de ambtsgemeentebesturen ingesteld. In Hengelo kwam een college van Buurmeesters met daarin twee oude bekenden, Derk Willem Becking en Jan Bleumink, onder voorzitterschap van Dirk Muller.

Deze situatie bleef tot 1810 gehandhaafd, al was de toestand overal verward. In veel plaatsen werden de ambtsgemeentebestu­ren in 1803 opgeheven en keerden de scholtambten en richterambten terug. Het waren stormachtige tijden waarin veel vertrouwde zaken op zijn kop werden gezet. Naast de vele ontberingen (dienstplicht in Franse leger, paardenleveringen) en nadelen brachten enkele maatregelen voordelen met zich mee, waarvan we nu nog profijt hebben: invoeren centrale belastingen, aanleggen kadaster, rechts verkeer op de weg, invoering metrieke stelsel (de meter verving de el, roede, mud, bunder etc.), in 1811 invoering bevolkingsregis­ter: registratie van alle geboorten, huwelijken en sterfgeval­len (iedereen moest een achternaam hebben), openbaar onderwijs werd van overheidswege gegeven en bekostigd. Ook de fundamenten voor de democratie werden in de Frans tijd gelegd.

In 1811 werden de rechterlijke en administratieve macht gescheiden. Bij keizerlijk decreet werd ons land verdeeld in departementen, arrondissementen , kantons en mairien. Het scholtambt en richterambt behoorden definitief tot het verleden. Aan het hoofd van een gemeente kwam een maire, die hiervoor ƒ50,- per jaar ontving. De bevrijding in 1813 betekende niet, dat alles weer verander­de. De bestuursorganisatie bleef gehandhaafd, veel ambtenaren bleven in functie. Zoals gezegd verloren de marken aan betekenis en werden geleidelijk ontbonden. De invloed van de "markerigters" verdween. Binnen de huidige gemeentegrenzen waren 2 marken: de Mark van Hengelo en de Dunsborger Mark, die ook op Zelhems grondgebied doorliep. Na Napoleon's overheersing kwam de markeverdeling ter sprake. Dit had ontzettend veel voeten in aarde. Naast de rechten (toewijzing der gronden) was men het dikwijls oneens over verplichtingen zoals het onderhoud van de wegen en bruggen, water'leidingen', beplantingen, etc. Voor alle marken ontbonden waren was men een halve eeuw verder. De Dunsborger Mark besloot al in 1818 tot verdeling, maar werd pas in 1858 ontbonden. De ontbinding van de Mark van Hengelo kreeg pas in 1881 zijn beslag! Markerichters en burgemeesters hadden elk hun eigen bevoegdheden. Het zal ongetwijfeld nog veel strubbelingen gege­ven hebben. Van de markerichters wordt in de 19e eeuw niet veel meer vernomen.

Het voormalige 'ambt Hengelo' werd 'commune Hengelo' met aan het hoofd een 'maire'. De eerste Maire was Mr.Ambrosius Steenlack, die in 1811 werd benoemd. Hij werd bijgestaan door twee assessoren (een soort wethouder) en een municipale raad.

Ambrosius Steenlack was ook Officier van Justitie te Zutp­hen en bekleedde dus twee functies tegelijk. Hij was geboren op 9 december 1770 en is op 21 juli 1829 te Zutphen overleden, nadat hij het Maire-ambt reeds in 1817 had neerge­legd. Dat het toen meer een bijbaantje was, blijkt wel hieruit, dat onze Ambrosius in de persoon van Casper Derk Willinck een waarne­mend maire (adjunct-maire) had benoemd, die de bezig­heden waarnam van december 1813 tot eind decem­ber 1815. In het jaar 1814 telde de gemeente Hengelo 2269 inwoners. Offi­cieel heette het Hengelo, provincie Gelderland, Departe­ment van den Boven-IJssel.

 

Na de bevrijding in 1813 bleef de Frans bestuursorganisatie eerst gehandhaafd. In 1818 trad het Reglement op het Bestuur van het Platteland in werking.Als Schout en Secretaris werd bij Kon.Besluit van 27 november 1817, ingaande 1 januari 1818, benoemd de Jonkheer Borchard Frede­rik Lodewijk van Westerholt tot Hackfort (van hem een mooie foto in het boek van dr.F.Schreuder). Van deze is bekend, dat hij stamde van het Kasteel Hackfort bij Vorden en dat hij op 11 april 1794 te Zutphen werd gedoopt. Voordat hij schout was, had hij onder Napoleon gediend als Garde d'Honneur en was Commandeur Deutsche Orde. Hij wist van wanten, mogen we aannemen. Op 19 februari 1820 werd hij met alle leden van zijn geslacht in de Adelstand verheven met de per­soonlijke titel van Baron. Was zijn titel aanvankelijk Schout en Secretaris, per 9 augustus 1825 dit veranderde dit door een nieuw bestuursregle­ment. Schoutambten heetten nu gemeenten, hoofdschoutambten districten, schouten burgemeesters. De jaarwedde van Burge­meester en Secretaris werd vastgesteld op ƒ350,-. Overigens wordt Ambrosius Steenlack in 1825 weer genoemd als raadslid, hetgeen toch opmerkelijk mag heten. Ook Casper Derk Wilink komen we weer tegen: hij was net als J.Onstenk assessor.

Baron van Westerholt fungeerde tot 17 december 1839 als burge­meester en secretaris. Na een periode van "rusten" is Baron van Westerholt tot Hackfort op 6 september 1863 op het gelijk­namige kasteel bij Vorden over­leden. Vermoedelijk een broer van hem, Borchard Frederik Willem (1766 -1852) woonde eveneens op kasteel Hackfort en verbouwde deze in 1788 ingrijpend. Deze Van Westerholt was officier van het scholtambt Zutphen en later assessor in Vorden.

Een burgemeester woonde in die tijd dus niet in de plaats waar hij in functie was. Ik denk dat dit tekenend is voor de situatie: gezeteld vanaf zijn kasteel in Vorden zal de baron zich niet veel met het leven in Hengelo bemoeid hebben. Ik vermoed dat het meer een papieren functie betrof: een paar handtekeningen en af en toe een zitting. De bode die de post één maal per week van Aalten via Hengelo naar Zutphen en weer terug sjouwde deed ook het kasteel aan. De burgemeester-baron bleef daardoor enigszins op de hoogte van het wel en wee in Hengelo!?

 

Als opvolger van Baron van Westerholt werd op 23 oktober 1839 benoemd Lodewijk Henri Francois Mossel (1807-1873), geboren te Amsterdam. Zijn installatie vond plaats op 5 mei 1840. Hij was voordien Offi­cier geweest bij de Schutterij en in de jaren 1830-1831 bij het beleg van Antwerpen onderscheiden, alweer zo'n vechtersbaas. Met deze Mossel kwam een figuur naar Hengelo, wiens geslachtsnaam vele jaren mee zou spreken in het leven van Hengelose burgemeesters. Hij was en bleef militair in hart en nieren en droeg met veel trots zijn militaire onderscheiding. Als woning koos hij aanvankelijk het toen nog bestaande buitengoed 'Venhorsting' (in Delden onder de gemeente Vorden) op de grens van de ge­meente aan de Vordenscheweg. Reeds aan het einde van 1841, dus na ruim één jaar, werd Lodewijk Mossel benoemd als burgemeester te Elst (O.B.).

De betekenis van de gemeente nam in deze eeuw flink toe. Toch nam ze tot 1880 geen belangrijke plaats in het openbare leven in. Hun taak bestond voornamelijk uit: onderhoud ver­lichting en wegen, zorg voor veiligheid en goed, armenzorg, openbaar onderwijs, volksgezondheid, zorg voor begraving en uitvoering van een paar administratieve wetten. Met het soci­aal, economisch en culturele leven van de burger bemoeiden ze zich pas later, tot 1850 zelfs helemaal niet. B.en W. vergaderden slechts enkele malen per jaar ("bij logementhouder Langeler"), soms was maar één punt de moeite van het notuleren waard... De gemeentewet van 1851 onderging in de eerste 30 jaar slechts 2 wijzigingen. Rond de eeuwwisseling kwam het hele maatschappelijk leven in een flinke tempoversnelling terecht, waarop de overheid met vele wetten grip probeerde te krijgen.

 

In oktober werd hij opgevolgd door Wilt Adriaan Wilbrenninck, geboren te Zutphen in het grote Patriciërshuis aan de Zaad­markt aldaar. Bij zijn benoeming koos hij zijn woon­plaats op Huize 'Het Enzerink', ook al in Vorden. Wilbrenninck bleef tot 1852 aan het hoofd van de gemeente. In dat jaar waren C. Roeloffsen en G. Voskamp wethouder. Van ca. 1825 tot 1864 was Willem Hess de dorpsveldwachter. Zijn voornaamste bezigheid was de jacht op stropers, hetgeen een dag- en nachttaak was! Ook de 'nachtwachten' waren belangrijke figuren bij het waken van de veiligheid. De in latere jaren nog zoveel in de herinnering voort­levende veldwachters Teesebelt en Gijsbers (overleed 1915) waren later de trouwe dienaren der wet. Gijsbers, die in 1908 als gemeen­tebode werd aangesteld, woonde op de plek waar nu 'De Spannevogel' staat.

 

Na de elfjarige ambtsvervulling van Wilbrenninck werd wederom een beroep gedaan op Lodewijk Mossel. Men zag hem gaarne terug. Het was vooral de gemoedelijkheid van de Hengelose bevolking, waaraan de heer Mossel de aangenaamste herinneringen had behouden. En de bereidwilligheid van de heer Mossel, èn de goedkeuring van de koning hadden tot resultaat, dat voor de tweede keer de heer L.H.F. Mossel zijn intrede deed in april 1852. Hij ging nu wonen tegenover het Raadhuis in de Spalstraat. in het huis, dat later werd bewoond door W. Burghard, kleermaker. Deze tweede ambtsperiode duurde heel wat langer dan de eerste: ruim 21 jaar, nl. tot januari 1873, toen hij stierf, bleef hij de ambtsketting dra­gen.

Zijn inbreng op het dagelijkse leven van de Hengeloër was aanmerkelijk groter dan zijn voorgangers, niet alleen omdat hij in Hengelo woonde, maar ook omdat in 1851 de gemeentewet ingesteld was, waardoor een burgemeester meer invloed had op het besturen van een gemeente. Een belangrijk voorval in deze tweede periode was de grote brand op 17 mei 1864 toen 's avonds plm. 10 uur brand uitbrak bij bakker Demming, waarbij acht huizen en drie schuren een prooi der vlammen werden. Burgemeester Mossel heeft met levensgevaar vele archiefstukken gered, maar ook vele gingen verloren. Tot 1885 bezat Hengelo geen gemeentehuis maar een raadhuis in de Spalstraat. Goed beschouwd is de benaming 'Raadhuisstraat' dus fout. In dat jaar verhuisde men naar de huidige lokatie, waar tot dan de openbare school was geweest. De vroegere burgemeesters zetelden en namen hun wijze beslui­ten in de rechter-voorkamer van het vroegere Hotel de Karper, destijds algemeen bekend onder café Kleyberg, genoemd naar de eigenaar van die tijd. De deur van die gelagkamer en die van de gemeentesecretarie lagen precies tegenover elkaar. Het was een ingeburgerde gewoonte om bij het aangeven van een kind, direct na een inschrijving in de officiële registers van de Burgerlijken Stand, aan de over­zijde op de gezondheid van de jonggeborene iets te gebruiken. Na het sluiten van een huwelijk was dezelfde gewoonte van toepassing.

De ambtenaar leefde nog niet onder hoogspanning. De zaken werden in alle gemoedelijkheid afgedaan. Gezeten op een hoge kruk voor de lessenaar werd alles met een sierlijk handschrift in de vereiste aantallen in de copiëerboeken geschreven. Toen in het jaar 1885 de oude school werd omgebouwd tot gemeentehuis, was dit een rib uit het lijf van het café Kleyberg. De eigenaar A.C. Kleyberg was mede-exploitant van de vermaarde omnibusdienst. Deze reed in 1863 naar Zutphen en "Doesborgh" ; na de komst van treinen in die plaatsen alleen nog naar het station Vorden.

 

De oudste zoon van L. Mossel, de heer Pieter Christiaan Willem Mossel (1845-1909), was reeds enige tijd met de gemeenteadmi­nistra­tie bekend geraakt door zijn werk­zaamheid als volontair op de secretarie. Zijn algeme­ne kennis en die van de Franse taal had hij opgedaan op de zgn. 'Fransche School' bij Mej. A. van Raan, die een kostschooltje in de Spal­straat, naast de R.K.-Kerk, runde. Zijn voorbestemming was ook de militaire dienst, maar deze aspi­raties konden niet verwezenlijkt worden. Hij werd geplaatst bij het Instructiebataljon te Kampen, maar werd daar voor de dienst afgekeurd wegens een kleine gezichtsstoor­nis. Dat kwam voor Hengelo niet slecht uit, want hij kon daardoor mooi zijn vader opvolgen. De overdracht van de ambtsketting vond plaats in maart 1873. Hengelo had toen 3490 inwo­ners.

Deze P. Mossel was een kalme en bezadigde man die bij de waarneming van het secretari­aat alle wederwarigheden uit de Gemeente op zijn duimpje kende. Hij deed zijn hele ambtsperiode het gemeentesecre­tariaat erbij. In 1900 waren W. Kelderman en B. Hilderink de Hengelose wethouders. 1 april 1901 vroeg en kreeg Mossel ontslag. Hij bleef nog tot zijn laatste levensdag, 21 februari 1909, als rustend burger in Hengelo. De ambtswoning (welke is niet duidelijk; de eerste burgemeester die aan de Hofstraat woonde was burgemeester Reynst) bleef hij en zijn echt­genote, Mevrouw Mossel-Van der Boom, bewonen. Na zijn dood vestigde zijn weduwe zich te Wageningen, waar zij overleed.

 

De volgende eerste burger van Hengelo was Martinus Antonie Meyjes, zo werd bij Kon.Besluit van 16 maart 1901 besloten. De geboren Winterswijker was voordien burgemeester van Schalkwijk geweest. Op 2 april was het groot feest in Hengelo. Zo vaak was er niet iets te doen in het slape­rige dorpje, zodat zo'n gebeurtenis uitgebreid werd gevierd. Een feestcommissie in een versierd rijtuig (zullen ook niet de minst belangrijke perso­nen geweest zijn) reed hem tegemoet. Dit rijtuiggie werd voorafgegaan door fanfarecorps, bereden erewacht en leden van de Hengelose Wielrijdersclub (die fietsen zou ik wel eens willen zien). Voorzitter van de feestcom­missie was de huisarts Arend Meinders. De kinderzangver­eniging hief drie schone liederen aan.

Als dank organiseerde Meyjes op 3 juni een feestdag "aan allen die zijn komst zo luisterrijk hadden gemaakt". Er waren o.a. wedstrijden ringrijden per fiets en paard, vuurwerk en een uitvoering van muziekvereniging Concordia. Meyjes bleef ongehuwd. Hij overleed op 28 januari 1909.

In juni 1901 werd het ambt van burgemeester en secretaris gescheiden. Eerste gemeentesecretaris was F.H. van der Meulen, die dit 5½ jaar bleef. Hij werd toen benoemd als gemeentesecretaris in Opsterland en was dat tot zijn pensioen in 1935.

Van 5 januari 1906 tot zijn overlijden op 1 januari 1933 was C.W. Tenckinck (met tweemaal 'ck' kwam er altijd achteraan) onze gemeentesecretaris. Vanaf 1908 was hij ook ambtenaar der Burgerlijke Stand. Hij was in groot aanzien. Na de dood van Meyjes werd zelfs een brief naar H.M. de Koningin gestuurd om hem tot burgemeester te laten benoemen! Deze poging mislukte.

Charles William Tenckinck was op 26 november 1871 geboren in Amsterdam. Voor hij naar Hengelo kwam was hij gemeentesecretaris geweest in Weesperkarspel. Bij zijn overlijden werd van hem verteld: "Zijn werk was zijn leven. Ook 's avonds na kantoortijd kon men hem steeds bij lamplicht nog bezig zien op zijn bureau. een achturige werkdag was hem vreemd. Hij huldig­de meer de oudere ideëen en rustte nimmer voor het werk klaar was. Hij werkte met 3 burgemeesters samen, hetgeen steeds van prettige aard was. Ook bij de burgers was hij een zeer gezien persoon, vooral bekend om zijn filantropische antecedenten. Hij was steeds bereid te geven daar waar nodig was, onverschillig voor welke religie. Hij was contribuant van alle plaatselijke verenigingen. Nimmer werd bij hem aan dovemansdeur geklopt."

 

Drie maanden bleef de vacature na de dood van Meyjes onbezet. Op 22 maart 1909 werd benoemd: Johannes Knottenbelt. Knottenbelt was een zoon van de winkelier en koopman Frederik Hendrik Knottenbelt en Johanna Nelia Elisabeth Claassen. Hij trouwde op 1 augustus 1895 met Helena Aaltje Sophia Nieuwenhuizen. Hij werd in 1909 benoemd tot burgemeester van Hengelo. Voordat hij in Hengelo werkte, was hij gemeente-secretaris in Gorssel.

De inhuldiging was opnieuw een happening. Op 14 april 1909 werd hij bij de gemeentegrens ontvangen door een paar honderd ruiters, wielrijders ("en zelfs wielrijdsters!") en natuurlijk de altijd voor zulke gelegenheden parate feestcommissie o.l.v. dr. Meinders. Deze sprak bij zijn welkomstspeech de hoop uit dat Knottenbelt "de voetstappen zou volgen van zijn zeer beminde voorganger". Hierna trok de stoet, voorafgegaan door muziek, naar De Spannevogel en vandaar naar het gemeentehuis, waar de ambtsketting werd omgehangen. Na de officiële plicht­plegingen volgde een wandeling door het dorp en om 20.00 uur een serenade met fakkeloptocht. Op een paar plaatsen was dansmuziek.

Of hij werkelijk zo bemind werd als Meyjes valt te betwijfelen. In juli 1909 had hij een fikse aanvaring met gemeente­raadslid D.J. Jansen (eigenaar van 't Regelink) over een benoeming tot onderwijzeresse op de openbare school in Varssel. Ook lag hij in de clinch met de reeds genoemde dr. Meinders over de taken van de vroedvrouw van de gemeente. Dit zou een slepende kwestie worden, die jarenlang duurde! Lang bleef Knottenbelt in elk geval niet, hij vertrok na 4 jaar. Van 1913 tot 1937 was hij burge­meester van Rijssen. Tijdens zijn ambtsperiode in Rijssen kwam hij in problemen over de zogenaamde abattoirkwestie. Op last van het college van Gedeputeerde Staten moest het plaatselijke slachthuis, tegen de zin van de bevolking en de gemeenteraad van Rijssen worden geopend. Toen Knottenbelt op maandagavond 5 januari 1925 terugkeerde op het station van Rijssen werd hij opgewacht door een joelende menigte en werd gevolgd door een groep slagers. Hij zag zich genoodzaakt om zich door de politie te laten beveiligen en liep, volgens de krantenberichten van die tijd, de gehele avond met een geladen revolver op straat. In 1926 leidde deze kwestie tot een motie van afkeuring tegen één van de wethouders, die op aanraden van Knottenbelt, deze motie naast zich neerlag. Vervolgens traden de acht voorstemmende raadsleden tegelijkertijd af als gemeenteraadslid van Rijssen.

In een ingezonden stuk in de NRC van 22 maart 1923 protesteerde Knottenbelt, als burgemeester van Rijssen, tegen het niet in dienstregeling van de Nederlandse Spoorwegen opnemen van het baanvak Deventer-Almelo. Naar zijn mening zou het ergerlijk zijn om de spoorverbinding van plaatsen als Rijssen, Holten, Dijkerhoek, Bathmen en Diepenveen te ontnemen.

 

Na Knottenbelt kwam Jonkheer Adrianus Reynst. Hem zullen velen zich nog wel kunnen herinneren, aangezien hij tot zijn overlijden op 1 november 1936 burgemeester bleef. Ook hij was eerst gemeentesecretaris, en wel in Maarssen. Kennelijk was dat een goede voorbereiding op deze baan. Hij was in 1882 geboren in Batavia. Hij was een achterneef van Louis Couperus, een zeer bekende naam in de Nederlandse literatuurgeschiedenis ('De Stille Kracht'). De moeder van Couperus heette Reynst. De jonkheer begon als burgemeester op 9 juli 1913. Hij viel met de neus in de boter, want hij kon beginnen met het groots vieren van de Onafhankelijkheidsfeesten. Daarna waren de tijden minder florissant door het uitbre­ken van de Eerste Wereld­brand. Al bleef ons land bespaard van de directe verschrikkingen, de daaruit voortvloeiende misères als mobilisatie, distributie en Belgische vluchtelingen kostten een burge­meester veel hoofdbrekens. Jhr. Reynst kocht in 1917 'Het Hof' aan de Hofstraat van Jan Willem Albers, die het van 1907 tot 1912 verhuurde aan de bekende kunstschilder Jan Adam Zandleven. De burgemeester liet het huis drastisch verbouwen. Hij gaf het een salonachtige sfeer, die paste bij de ontvangsten en diners die hij regelmatig gaf. Na de oorlog 1914-18 groeide Hengelo onder Jhr. Reynst uit tot een rus­tig, maar welvarend dorp. Overigens fluisterde men dat hij flirtte met freule Martini, die op 'La Tulipe Noire' (Vordenseweg) woonde. De opening van het gerestaureerde gemeentehuis in december 1936 mocht hij net niet meer meemaken. De opening werd wegens zijn overlijden heel sober gevierd. Zijn trouwe secretaris Tenckinck werd in 1933 opgevolgd door H.F. Arends.

 

Francois van Hoogstraten (1891-1979) werd geboren in Zutphen. In 1913 kreeg de toen 21-jarige François van Hoogstraten een erfenis en besloot dat geld te gebruiken voor een lang door hem gekoesterde wens: het maken van een reis om de wereld. Alle foto’s, brieven en dagboeken van deze reis zijn bewaard gebleven.

Hij was burgemeester van Zuilichem van 1919 tot 1937. Francois trouwde op 20 juli 1921 met Alida Hendrika Wigman. In 1937 werd hij benoemd tot burgemeester van Hengelo (Gld). Hij was burgemeester tot 1956, dus ook tijdens de Tweede Wereldoorlog. In die tijd stond hij standvastig achter de bevolking en hielp ze waar hij kon. Ook zijn vrouw hielp, zoals bij het onderbrengen van (joodse) onderduikers. In september 1944 moest hij onderduiken, omdat hij niet mee wilde meewerken aan het leveren van 600 burgers voor de O.T. (Operation Todt). Hij dook onder in de Veldhoek.

 

Tijdens zijn onderduikperiode werden in Hengelo twee NSB-burgemeesters aangesteld. Eerst J. Visser, voorheen burgemeester van Valburg. Deze had bij zijn vertrek naar Wisch voor ƒ35.000 aan spullen meegenomen. Zijn opvolger trof een leeg huis aan. Ook in Hengelo klaagde zijn opvolger dat Visser spullen meegenomen had.

Op 15 februari 1945 werd hij afgelost door Alphons Bouwman (1894–1968) uit Puiflijk, bekend van de partij Actie-Bouwman, waar hij leider van was. Hij was van 1942–1944 al (NSB-)burgemeester van Budel.

Van Hoogstraten maakte zich verdienstelijk op allerlei gebied, en was actief in het verenigingsleven, evenals zijn echtgenote. In 1956 vertrok het gezin naar Lunteren.

 

Theodoor Philip baron Mackay (1911-2001) was een zoon van mr. Æneas baron Mackay (1872-1932) en jkvr. Hermina Clasina den Beer Poortugael (1874-1945). Hij was genoemd naar zijn grootvader Theodoor Philip Mackay, burgemeester, Tweede Kamerlid en voorzitter van de Algemene Rekenkamer. Mackay was achtereenvolgens burgemeester van de gemeenten Rolde, Hengelo (Gld) en Voorst. In Hengelo (Gld) was hij burgemeester van 1956 tot 1969. In deze tijd ontwikkelde Hengelo zich sterk: nieuwe woonwijken, een sportpark, nieuwe scholen. In 1969 werd hij benoemd tot burgemeester van Voorst.

In 1953 leverde de formatie van een college van burgemeester en wethouders in de gemeente Rolde de nodige problemen op. Omdat Mackay stadse ideeën zou hebben en zijn eigen wensen zou willen vervullen zouden beide wethouders voldoende tegenspel moeten bieden. Om daar de juiste mensen voor te vinden was niet zo eenvoudig. Mackay huwde op 27 november 1941 te Zeist met de in Boedapest geboren Zsófia Friderika Emme Ráthonyi Reusz (1910-1999); uit dit huwelijk werden een zoon en 3 dochters geboren. Hij was Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

 

Jhr. Mr. Louis Pierre Quarles van Ufford

Burgemeester van Hengelo van 1970 tot 1978. Hij was burgemeester van Dalfsen van 16-8-1978 tot 1-4-1985. Overleden op 27 oktober 1986 te Vorden.

 

J.E. de Boer was burgemeester van 1979 tot 1985. Daarvoor was hij vanaf 1973 burgemeester van Marken.

 

Mr. Alphert Van Beeck Calkoen was een zoon van mr. Frans van Beeck Calkoen en Agnes Margaretha barones Schimmelpenninck van der Oye. Hij studeerde rechten. In 1980 werd hij burgemeester in het Groningse Baflo. Toen de provincie te maken kreeg met gemeentelijke herindelingen, wilde hij zijn ontslag niet afwachten en solliciteerde elders. In mei 1986 werd hij burgemeester van Hengelo (Gld). Hij kreeg opnieuw te maken met herindeling, toen Hengelo in 2005 opging in de gemeente Bronckhorst. Hij kwam in 2000 in opspraak toen hij een ambtswoning wilde bouwen in het dorp. Hij wilde een nieuwe ambtswoning, omdat de oude burgemeesterswoning naar zijn smaak te bouwvallig was. Nadat Gedeputeerde Staten hem na veel commotie terugfloot, besloot hij af te zien van aankoop van de grond.

 

 

Overzicht (zonder NSB-burgemeesters)

Ambtsperiode Naam burgemeester  
1818 - 1839 Jhr. Borchard Lodewijk van Westerholt  
1840 – 1841 Louis Henri François Mossel  
1841 – 1852 Wilt Adrian Wilbrenninck  
1852 – 1873 Louis Henri François Mossel  
1873 - 1901 Pieter Christiaan Willem Mossel  
1901 - 1909 Martinus Antonie Meijjes  
1909 - 1913 Johannes Knottenbelt  
1913 - 1936 Jhr. Adrianus Reijnst  
1937 - 1956 François van Hoogstraten  
1956 - 1969 Theodoor Philip baron Mackay  
1970 - 1978 Jhr. Mr. Louis Pierre Quarles van Ufford  
1979 - 1985 J.E. de Boer  
1986 - 2005 Mr. Alphert van Beeck Calkoen  

 

 

© W.J.M. Hermans, 2007


Home