OLD HENGEL

De historie van Hengelo Gld

 

 


 

20e EEUW

EEN ONOPGELOSTE DUBBELE MOORD

 

Hengelo is in de twintigste eeuw gelukkig maar zelden opgeschrikt door zware criminaliteit, laat staan door moorden. Buiten de Tweede Wereldoorlog om was er alleen in 1919 een geval toen een dubbele moord het dorp in hevige beroering bracht. Dat werd nog verergerd door de schandalig opzichtige vorm van klassenjustitie. Hierdoor werd niet eens een onderzoek naar de hoofdverdachte ingesteld.

 

Kermis 1919

De kermis was in de oorlogsjaren sober geweest. De feestelijkheden konden in 1919 weer ouderwets en dus uitbundig gevierd worden. Zoals al lange tijd gebruikelijk duurde de kermis twee dagen. Op woensdag de markt, donderdags de volks- en kinderspelen met 's middags het vogelschieten op de Bleek. Veel inwoners waren hun kater nog aan het verwerken, toen op vrijdag 11 juli het gerucht van een moord zich als een lopend vuurtje over het dorp verspreidde. De Zutphense Courant berichtte nog dezelfde dag:

Moord?

Twee alleenwonende oudjes, broer en zuster, werden vanmorgen door de buren dood in hun woning, ongeveer een kwartier buiten ’t dorp staande, aangetroffen. De politie stelt in huis en omgeving een onderzoek in. Verschillende omstandigheden wijzen er op, dat hier inbraak met moord plaats heeft gehad.

 

’s Maandags was er meer bekend: Omtrent den dubbelen moord hier dezer dagen gepleegd, vernemen we nog 't volgende: Even achter 't landgoed 't Regelink aan een landweg ligt vrij eenzaam een klein boerderijtje, waarin wonen de 80-jarige G.J. Beumer, pas van een ernstige ziekte hersteld en zijn 84-jarige blinde zuster. Toen daar hedenmorgen de belasting-ambtenaar F. moest wezen, die alles nog gesloten vond, gaf hij daarover zijn bevreemding te kennen aan den naastbijwonenden buurman Wesselink, die daarop eens ging kijken en door een openstaand raampje de vrouw als dood op de grond zag liggen. Onmiddellijk waarschuwde hij de politie, die daarna een onderzoek in de woning instelde en Beumer eveneens dood vond. Door het parket uit Zutphen werd verder het onderzoek geleid. Gebleken is dat beide oudjes de hersens zijn ingeslagen. Of er geld vermist wordt is niet met zekerheid te zeggen. Vermoedelijk echter wel, want de familie Beumer stond bekend er warmpjes bij te zitten, niettegenstaande er oogenschijnlijk armoe heerschte. Bij het onderzoek in huis werd in een kist tusschen oude kleeren nog ¦850 aan geld gevonden. Alles wijst er op, dat de moord op klaarlichten dag is gepleegd. De bedden waren onbeslapen, terwijl een boer constateerde, dat de melkkoe Donderdagmorgen voor het laatst gemolken is. 's Morgens tusschen 3 en 5 uur heeft een metselaar op het erf gewerkt. Deze verklaarde niemand thuis getroffen te hebben. Hij is nog in de schuur geweest om een ladder te halen. 's Nachts om half een heeft een boerenknecht, die van de kermis kwam, licht in de woning zien branden. Door een drietal dokters zijn de lijken onderzocht, welke daarna in verzegelde kisten naar de algemeene begraafplaats zijn gebracht.

De boerderij lag in de Noordink, een buurtschap ten noord-oosten van Hengelo. Dit was in vroeger tijden een afgelegen gebied omzoomd door bossen verbonden met karrensporen. Met tal van vervallen boerderijtjes bewoond door excentrieke zonderlingen. In dit gebied woonden aan ‘den weg naar het Vaalferink’ Gerrit Jan Beumer en zijn vier jaar oudere zus Johanna. Toen huisnummer 561, tegenwoordig Kreilweg 1 (Burghout)

Op wat punten week het verslag af van de lezing van Morsink. Deze schreef dat buurman Herman Wesselink (van de Bargel) direct naar Rodermond was gegaan, zonder zelf gekeken te hebben, zoals dat in bovenstaand artikel stond. Wesselink wist alles van de levens­wijze van de twee oudjes. Die leefden erg op zichzelf, hadden met niemand omgang en waren zeer wantrouwend. Gerrit Jan had een spraakgebrek en Johanna was blind. Ze zouden er ‘warmpjes’ bij zitten, maar dat was uiterlijk aan niets te merken. Volgens Morsink waren Rodermond en Wesselink samen naar binnen gegaan. De veldwachter wist de weg in het huis feilloos, hij was er als een van de weinigen kind aan huis. Ze kwamen binnen via het onderste deurtje van de achterdeur. Op deel bij het begin van de gang vonden ze het lijk van Gerrit Jan Beumer. De keel was gedeeltelijk doorgesneden en hij was zwaar mishandeld. Alles om hem heen was met bloed bespat. Vlak bij het lijk lag een greep, een voorwerp dat Beumer dikwijls bij zich had. De twee liepen verder door de gang en in de woonkeuken vonden ze het lijk van Johanna. Ze constateerden dat ze was vermoord door een slag op de schedel. Na deze gruwelijke ontdekkingen stelden Rodermond en Wesselink burgemeester Reijnst op de hoogte. Hij zond direct een telegram naar de officier van justitie in Zutphen:

 

Vermoord gevonden nabij dorp in hunne woning alleen wonende bejaarde broer en zuster.

 

Justitie arriveerde rond 15.00 uur om een onderzoek in te stellen. De dokters Beijl uit Zutphen en Meinders verrichten lijkschouwing. Hieruit bleek dat het tweetal donderdags tussen 15.00 en 16.00 uur waren vermoord, ten tijde van het vogelschieten op de Bleek...

Het eerste vermoeden was dat het geen roofmoord betrof. Tussen de kleren van Johanna bevond zich 850 gulden. Door justitie werd Rodermond, samen met de marechaussee uit Ruurlo, ingezet bij het onderzoek. Dit leverde al direct problemen op. Het had 's nachts geregend, zodat het gebruik van een speurhond zinloos was. Een onderzoek op vingerafdrukken kon ook niets meer opleveren, omdat Rodermond alle voorwerpen, die daarvoor in aanmerking kwamen, had aangeraakt. Wesselink had geen enkel voorwerp van belang beroerd. De veldwachter was dus van een ongelooflijke stupiditeit of hij had het met opzet gedaan en dat kon maar om één reden zijn…

De gemeenteveldwachters Schuurman en Wisselink waren, op verzoek van Reijnst, niet bij het onderzoek betrokken. Als reden gaf hij op, dat hij ze niet kon missen. Morsink ver­klaarde nader: Wie Reijnst heeft gekend, zal zich niet over deze beslissing verbazen. Hij was een persoon die puur voor zichzelf leefde. Van werken moest hij niets hebben. Hij liet liever de veldwachters onbelangrijke boodschapjes voor hemzelf doen, dan dat hij ze op pad stuurde voor politie­dienst. Hij beschikte over weinig moed en wilde de twee veld­wachters maar het liefst bij hem in de buurt hebben. Men kon niet weten...

Krasse taal van de ambtenaar. Morsink betreurde het dat vooral Schuurman er niet bij betrok­ken was. Hij was uiterst geschikt voor dergelijke onderzoeken en wist ook van deze zaak enige belangrijke details.

De Beumers werden op 15 juli begraven: Hedenmiddag had onder toeloop van een grote menigte belangstellenden de begrafenisplechtigheid van den zoo wreed vermoorden G.J. Beumer en diens zuster. Behalve familieleden en de buren waren o.a. de burgemeester en secretaris dezer gemeente aanwezig om de overledenen de laatste eer te bewijzen. Bij het reeds gesloten graf hield ds. J. Barbas een lijkrede naar aanleiding van Lukas 12:5 tot 18.

 

Diverse aanhoudingen

Het hele dorp en omgeving waren uiteraard in rep en roer. Aller­lei geruchten deden de ronde. Het onderzoek van justitie leverde weinig op. Er werden wel personen gearresteerd. Vooral ongure figuren die zich ten tijde van de kermis in Hengelo bevonden en direct verdacht waren. Vlak voor de kermis was bij de Muldersfluite een diefstal gepleegd (zie 10 juli 1919). Twee liedjeszangers die als ongunstig bekend stonden, zaten hiervoor korte tijd 'onder de toren'. Nadat ze weer op vrije voeten liepen, waren ze een paar maal bij de boerderij van Beumer gesignaleerd. De politie hield hen aan, maar moest ze wegens gebrek aan bewijs weer laten lopen. Er volgden meer aanhoudingen. De Zutphense Courant:

- Zutphen 16 juli: Telkens loopen hier geruchten dat de bedrijvers van den afschuwelijken dubbelen moord op twee oude menschen te Hengelo gearresteerd zouden zijn. Zonder eenigen grond worden zelfs namen van verdachten genoemd. En gisteravond wisten de menschen elkaar te vertellen dat de moordenaar nu vast en zeker in Zutphen zou worden aangebracht met de Graafschapsche tram. Gevolg was dat na zessen tal van nieuwsgierigen in de Laarstraat en omgeving liepen te wachten. Maar er gebeurde niets. De justitie heeft de dader nog niet in handen. Wel is gisteren te Arnhem aangehouden G. van E., wiens opsporing door de marechaussee te Ruurlo was verzocht. Hij wordt verdacht van diefstal en bovendien is hij een van de beide gesignaleerden, die verdacht werden van de te Hengelo gepleegden moord. Tot dusver zijn echter geen aanwijzingen voor zijn schuld daaraan gevonden. Hij is ter beschikking van de marechaussee te Ruurlo gesteld.

-Deventer 19 juli: Op verzoek van de marechaussee te Ruurlo zijn hier in een volkslogement aangehouden een Duitscher en een Hollander die verdacht worden den dubbelen moord te Hengelo te hebben begaan. Hun antwoorden op verschillende hun gestelde vragen klopten niet. Vast staat, intusschen dat zij den dag van de moord in Hengelo zijn geweest. Een hunner had op z'n hemd, de andere op de revers van z'n jas verdachte vlekken, die nader chemisch zullen worden onderzocht. De vermoedelijke daders zijn overgebracht naar de brigade-commandant der marechaussee te Ruurlo, die met het onderzoek dezer zaak is belast. Ter aanvulling kunnen wij nog meedeelen, dat deze aanhouding geschied is op verzoek van de commissaris van politie te Zutphen. De aangehoudenen zijn zwervers, de oud-Zutphenaar B. en de Duitscher T., die vaak hier vertoefden op hun zwerftochten. In verband met den moord wordt nog gezocht naar een zilveren heerencylinder horloge dat ten nadeele van de vermoorde gestolen is. Het horloge draagt het nr. 19360 en aan den binnenkant van de kast staat het controlenr. 336.

 

Het onderzoek zat muurvast. Op 22 augustus werden in Aalten twee mannen gearresteerd. Hun signalement stemde overeen met dat van de twee verdachten op de moord. Dat betekent dat de verdenking nog steeds uitging naar zwervers. Gedacht werd aan samenhang met andere diefstallen in die dagen. Ter confrontatie werden direct enkele figuren opgetrommeld, maar het bleek een doodlopend spoor. Vijf dagen later moesten de twee wegens gebrek aan bewijs op vrije voeten worden gesteld. Volgens Morsink zijn ook de oud-veldwachter Antonie Hoevers en zijn zoon Hendrik-Jan als verdachte bestempeld geweest, maar ook hier bleek al snel dat ze onschuldig waren.

 

Meer voer voor geruchten

Op 14 augustus verklaarde de rechtbank in Zutphen dat de nalatenschap van broer en zus Beumer onbeheerd was. Tot curator werd notaris Koning aangewezen. Al op 16 september werd de boerderij met bijbehoren verkocht. Ten Have kocht het huis en erf voor ƒ3860, van drie percelen bouwland was de koper Jan Rodermond voor ƒ3031,31. Voer voor nieuwe geruchten. Daarbij kwam dat hij vlak voor de moord de gehele fruitoogst van de Beumers had gekocht, om deze vlak erna te verkopen...

Meer vreemde luchtjes omgaven de zaak. Een belangrijke getuige was metselaar Jan Willem Lubbers (1861-1940), volgens Morsink een ietwat "eigenaardig type". Hij was op de bewuste donderdagmiddag op het dak werkzaam geweest. Eerst ontkende hij iets gezien te hebben. Jaren later nam wachtmeester Woerts van de Koninklijke Marechaussee het onderzoek opnieuw ter hand. Toen verklaarde Lubbers wel een paar personen gezien te hebben, maar niet te hebben herkend. Vanwege de tegenstrijdige verklaringen werd hij in verzekerde bewaring in Zutphen gesteld. Dezelfde avond was hij weer vrij, “op verzoek van bepaalde krachten, zoals ds. Barbas, enz.”

Dan was er nog Antonie Meenink (1886-1927, gestorven door zelfmoord door verhanging). Hij had op donder­dag­middag gezien dat Rodermond en zijn zoon Jan Albert Rodermond langs de woning waren gelopen. Meenink werd niet aan een verhoor onderworpen... Velen hadden gezien dat Rodermond en zijn zoon vlak na het begin van het vogelschieten het terrein hadden verlaten. Een alibi hadden ze daardoor in elk geval niet. Het was dan ook geen wonder dat vanaf de eerste dag na de moord de Rodermond als mogelijke moordenaar werd genoemd. Vox populi, vox Dei!

Meerdere vreemde gedragingen van hem voedden het gerucht steeds sterker. Allereerst sprak het feit tegen hem dat hij direct de greep en de lijken had aangeraakt, Hij had als politieagent moeten weten, dat hij in verband met een sporenonderzoek niets aan de situatie had mogen veranderen. Het leek erop, dat hij juist zoveel mogelijk sporen had willen uitwis­sen. Dan waren er nog enige andere incidenten waarbij Rodermond in die tijd betrokken was. De oude Beumers hadden nauwelijks omgang met de buitenwereld. Toch was Rodermond er kind aan huis. Hij drong zich vaker bij dergelijke simpele mensen op en 'regelde' financiële zaken. Waarschijnlijk boezemde zijn uniform de mensen vertrouwen in. Zo woonden ook in de Noordink de zusters Breuijel. Twee excentrieke vrouwen, die geheel in afzondering in vervuilde staat op een totaal verwaarloosde boerderij leefden. Vrijwel niemand kwam daar in de buurt. Hun boerderij was zo vervallen, dat deze in elkaar zakte. Rodermond had de stenen van de puinhoop verkocht en de opbrengst in eigen zak gestoken zonder toestemming van de twee zussen. Ze dienden een klacht in, maar trokken deze later weer in. Vermoedelijk heeft hij ze alsnog een bedrag betaald.

Een ander geval was dat van Albert Besselink "de Jager" (1831-1908). Rodermond had hem betrapt bij het stropen en het geweer in beslag genomen. Jaren later ontdekte een zoon van Besselink dat een particulier het geweer van Rodermond had gekocht. Besselink diende een klacht in en Rodermond kreeg een boete van 60 gulden.

In 1921 kreeg Schuurman een tip van de koetsier van 't Kervel, Franz Petering over een dubieuze geldtransactie van Rodermond. Hij had van de als weinig snuggere bekend staande Jan Ellenkamp (1855-1929) duizend gulden geleend in ruil voor een schriftelijke schuldbekentenis. Schuurman, die Rodermond graag wilde pakken, overlegde met de officier van justitie en stelde een onderzoek in. De schuldbekentenis kwam boven water in een gele envelop in een glazen kast van zijn keuken. Het stuk was in goede stijl opgesteld. Juridisch was er geen speld tussen te krijgen. De officier liet via notaris Koning ervoor zorgen dat Rodermond het geld terug betaalde aan Ellenkamp, hetgeen hij ook inderdaad heeft gedaan. Deze verhalen stellen ook het geval van de Fokkink’s in een ander daglicht.

Op zich geen bewijzen voor de moord, wel tekenend voor het karakter van Rodermond. De verdenkingen werden steeds sterker en in het openbaar geuit. Daar was hij ook zelf van op de hoogte, maar hij stoorde zich er niet aan. Dat bleek uit het volgende. Morsink kwam bij zijn komst in 1920 in Hengelo aanvankelijk in hetzelfde pension terecht als Hendrik Schuurman, de eerder genoemde gemeente­veldwachter. Morsink interesseerde zich direct voor de zaak en de twee spraken er veelvuldig en uitvoerig over. Morsink leerde Rodermond persoonlijk kennen en beschreef hem als volgt: Hij was een persoon van middelmatige grootte, stevig gebouwd. Zijn uiterlijk normaal, deed echter niet prettig aan. Zijn oogopslag was schuw, loerend, terwijl hij de gewoonte had, dat wanneer men met hem een gesprek voerde hij nimmer zijn partner aankeek. Dit was volkomen in strijd met hetgeen een politieman moet doen. Bij het gesprek sloeg hij dan onophoudelijk denkbeeldige stofjes van zijn uniform. Hij stond verder bekend als een onverschrokken per­soon, die het woord 'bang' niet kende.

Morsink schreef verder over een ontmoeting met Rodermond: Op een avond kwam Rodermond bij Schuurman op bezoek. We zaten met ons drieën in mijn kamer aan de tafel. Na wat heen en weer gepraat bracht Schuurman het gesprek op de dubbele moord. Ik heb mij toen opzettelijk niet in het gesprek gemengd, maar des te beter geluisterd en Rodermond geobserveerd. De woorden van Schuurman waren hard en scherp en gingen recht op het doel af. Zelfs in zekere zin belastend en zodanig dat indien ze onjuist waren voldoende waren om een vervolging wegens smaad in te stellen. Rodermond bleef echter zwijgen en sloeg maar denkbeeldige pluisjes weg. Star voor zich uitkijken was het enige wat hij deed. Hij uitte geen enkel woord tot zijn verdediging. Nadien hebben we nimmer meer een gesprek met hem gehad.

Als Rodermond nog niet had geweten, dat men hem verdacht, dan wist hij dit wel na dit gesprek. Schuurman had het hem onverbloemd gezegd.

 

 

Reconstructie

Morsink zette in 1953 een en ander op een rij. Geen bewijzen, wel aanwijzingen en redeneringen gebaseerd op feiten.

Morsink zette na zijn bevindingen en vermoedens het volgende scenario in elkaar: Bij binnenkomst van Rodermond (al dan niet met zoon) zat Johanna op de stoel in de keuken en bevond Gerrit Jan zich elders in de woning. Rodermond heeft zich in de keuken geld of de schuldbekentenis toe willen eigenen. De blinde Johanna heeft dit gemerkt en aan de stem de dief herkend. Dit is de reden dat ook zij vermoord is. Want waarom zou een onbekende een blinde vrouw vermoorden? Zwervers hadden daarom eigenlijk niet als verdachte in aanmerking dienen te komen. Johanna riep haar broer. Die schoot te hulp met de greep in de hand en heeft een woordenwisseling met de agent gehad. Tijdens de worsteling die ontstond pakte Rodermond hem de greep af en sloeg hem neer. Daarna heeft hij hem de hals doorgesneden en Johanna neergeslagen. Een klap was voldoende, zij kon de slag niet aan zien komen en zich afweren. Rodermond vluchtte door de achterdeur om ongezien weg te kunnen komen in het bos. Hiervoor was het nodig om de onderdeur opzij te duwen. In dit verband viel op, dat hij de volgende dag direct met Wesselink naar deze deur liep. Alsof hij wist, dat hij daar zo naar binnen kon. Mogelijk heeft Lubbers hem bij het verdwijnen gezien. Rodermond heeft vast niet geweten, dat de metselaar op het dak aan het werk was, anders was het misschien slecht voor Lubbers afgelopen. Het is onwaarschijnlijk dat Lubbers iets heeft gemerkt, wat zich binnen het huis afspeelde. Hij zal Rodermond alleen buiten hebben zien lopen. De veldwachter heeft hem mogelijk bedreigd om dit te ontkennen.

Morsink heeft nog gesproken met het echtpaar Ten Have, dat de bewuste boerderij later kocht. Zij zijn op 24 oktober 1919 getrouwd. Toen ze er woonden, kwam Rodermond vrijwel elke dag op bezoek. Hij ging dan zitten en sprak nauwelijks. Hij haalde alleen een vlijmscherp zakmes tevoorschijn en vroeg of het geen mooi mes was. Een fraaie vorm van intimidatie. Hij wilde de percelen grond verkopen aan Jan Hendrik ten Have, die hij in september had gekocht. Uiteindelijk begon het Willemien ten Have te vervelen. Zij is naar het huis van Rodermond gegaan, om hem te verzoeken niet meer te komen. Hij is nadien ook niet meer geweest.

 

Overplaatsing

Morsink kon niet anders dan concluderen dat Rodermond de (hoofd-)dader moet zijn geweest. In hoeverre de zoon erbij betrokken was, viel niet te reconstrueren. Jan jr. is wel ondervraagd, maar was even zwijgzaam als zijn vader. Hij is jong gestorven en heeft mogelijk een geheim in het graf meegenomen.

Meerdere malen hebben politieagenten getracht het onderzoek weer op te pakken. Soms kregen ze daarvoor toestemming, maar gaandeweg liepen ze vast zodra de naam Rodermond viel. Op zich al verdacht. Anderen mochten niet eens een poging wagen helderheid in de zaak te brengen. Zij kregen het advies zich maar niet met de zaak te bemoeien. Het was overduidelijk dat Rodermond van hogerhand bescherming genoot. Een dergelijk fenomeen waren we al eerder bij het geval Kraaijenbrink tegengekomen. De oplossing was even simpel als verdacht: Rodermond werd overgeplaatst naar Twello. Tegelijkertijd werd hij zelfs nog bevorderd (weggepromoveerd heet dat) tot brigadier. Commissaris der Koningin, S. van Citters, schreef op 5 december: Gelezen een brief van den Minister van Justitie dd. 28 Nov. Jl. No. 703, 2e afdeeling C, houdende kennisgeving dat met 1 december 1919 is aangesteld tot rijksveldwachter-brigadier de rijksveldwachter (brigadier-titulair) ter standplaats Twello, J. Rodermond te Hengelo (G.)

De genoemde brief van de minister wekt de nieuwsgierigheid op. Het is niet al te gewaagd dat de overplaatsing met de moordzaak te maken had. Maar als dat het geval was, waarom is dit dan niet onderzocht? Hij zal toch niet overgeplaatst zijn vanwege geruchten. Mogelijk is het op eigen verzoek gebeurd, omdat hij in Hengelo de mensen niet meer ogen kon komen. De geruchten over Rodermond werden er alleen maar sterker door.

Per 14 januari 1920 werd hij uit het bevolkingsregister overgeschreven naar gemeente Voorst, waaronder Twello viel. Dat verliep ook weer wat vreemd, omdat daar nog geen woning beschikbaar was. Pas in september verhuisde het gezin naar Twello. Tot die tijd bleef Rodermond gewoon zijn dienstjes draaien in Hengelo. Uiteraard een onhoudbare situatie. Dat bleek ook uit het volgende voorval. In oktober 1920 moest de advocaat B.J. Nöthorn, getrouwd met een dochter van D.J. Jansen, zich voor de Zutphense rechtbank verantwoorden wegens smaad. De advocaat had in de tram van Zutphen naar Hengelo de veldwachter beledigd: Nu ben je voor je straf overgeplaatst; jij neemt het niet zoo nauw met processen-verbaal. We hebben een mooie politie in Hengelo die loopt te schooien langs de straat en gaat de cafés binnen om zich dik te zuipen. Nöthorn werd flink bestraft (honderd gulden boete), omdat de rechtbank vond dat iemand van zijn stand “een zekere beschaving” moest hebben. Maar het geval gaf duidelijk weer hoe de burgers over Rodermond dachten.

 

Conclusie

Allemaal aanwijzingen in de richting van Rodermond en/of zijn zoon. Bewijzen zijn nooit geleverd, simpelweg omdat er nooit naar gezocht is en omdat sporen gewist waren. Iemand in staat van beschuldiging stellen is een gevaarlijke zaak en een taak voor justitie, die het echter flink liet afweten. Dat Rodermond niet eens als verdachte werd aangemerkt, is natuurlijk uiterst merkwaardig en kwalijk. Het was het minste wat justitie had moeten doen, al was het alleen maar om de bevolking gerust te stellen. Er werd weer volstaan met een overplaatsing. Voor Rodermond kwam rijksveldwachter Bekke in de plaats.

 

Familie Rodermond

Jan Rodermond was geboren te Nijeveen in 1866. Hij trouwde in 1898 met Geziena W. Janssen (1876-1945). Vanuit Overasselt kwam het paar in 1905 in Hengelo (zie ‘Valschheid in een authentieke akte’). Ze hadden twee kinderen: dochter Geziena Jantina (1899) en zoon Jan Albert (1900-1934). De veldwachter kwam met vrouw en dochter op 9 november 1920 vanuit Voorst naar Apeldoorn. Bij zijn inschrijving stond vermeld: “oud-brig. rijksveldwachter” hetgeen erop duidt, dat hij niet meer als zodanig actief is geweest.

De ongehuwde zoon Jan (adjunct-commies bij de PTT) kwam er drie maanden later vanuit Zaandam ook weer bij. Hij overleed al op jonge leeftijd in 1934. Jan Rodermond sr. maakt nog net de bevrijding mee, hij stierf op 7 juli 1945 in Apeldoorn. Zijn echtgenote was vlak daarvoor heengegaan, op de dag van de bevrijding van Hengelo, 1 april 1945. Dochter Geziena trouwde in 1926 met Dirk Jan Bruggink, die in 1949 overleed. Zij hadden één zoon.

 

Eerder verschenen in het boek Daar midden in de Graafschap

© W.J.M. Hermans, 2001

 

 

 

 

 


Home