OLD HENGEL

De historie van Hengelo Gld

 

 


 

20e EEUW

 

 

GROEPSGESPREK OUD-HENGELOERS 1998

 

Gesprek 28 januari 1998 ten huize van Gert Bruggink, Meidoornstraat, waar ook aanwezig zijn vrouw Diene en verder broer Geert en Gé Bruggink, alsmede Jaap en Jo Hulshoff-Bretveld. Ondervrager Willy Hermans

 

Allerlei onderwerpen komen aan de orde die met café De Zon, de familie Bruggink of oud-Hengelo te maken hebben.

Een beetje bij elkaar gezet per onderwerp:

Café De Zon allerlei:

Pa Bruggink was eerst met een Hulstijn getrouwd. De bewoner van het café, Voskamp, was met een zus van haar getrouwd. Hij trouwde er bij in. Het was al een heel oud cafe, hoe oud precies is niet bekend.

Vader kwam van platteland. In het cafe kwamen veelal jagers en stropers, en boeren.

Het cafe zat aan de voorkant rechts. Links was de slaapkamer. Achter was de deel. Woonkamer en keuken waren een geheel. De zonen sliepen bij elkaar. De eerste werd in bed gelegd, bij een volgende moest de eerste opschuiven. Sommige van de broers moesten wachten tot de klanten uit het cafe waren. Eeen bedstee grensde aan het cafe.

- Gertje Luimes zat er nog tot na sluitingstijd, waarop aan Gert werd gevraagd: "Zo'j niet 'ns naor huus toe gaon?" "Nee", zei de bijdehante Gert, "de dokter hef 'ezeg, dat ik völle in de zon mos zitten"!

- Berend Blom kwam vaak in het café. Hij was een opschepper. Eens roemde hij de leverworst van slager Raterink, waar hij net een stuk had gehaald. Henk Onstenk zei daarop: "dat lijkt me ook wel; ik haal ook zo'n stuk leverworst". Maar deze liep uiteraard niet naar de slager aan de overkant, maar haalde de worst uit de fietstas van Berend. De worst werd binnen vrolijk opgedeeld (Berend vroeg zelf aan Diene om een mes) en heerlijk opgepeuzeld. Berend: "Zie je nou wel dat het lekker is". Wat natuurlijk volop bevestigd werd. Toen Berend naar huis toog en de grap ontdekte, lag het hele café natuurlijk dubbel van het lachen.

Zo haalden ze (Joop Engbers) ook een geintje met Berend uit toen hij kievitseieren in zijn pet had en deze verwisseld werden voor eierkolen. Hij wilde ze laten zien aan Gert Jan Harmsen.

Berend moest er steeds aangeloven. Vooral op zaterdagmiddag was het altijd druk en werd er al op Berend gewacht. Bij een truc met drie lucifers trapte hij er steevast in.

Hij wist het zelf ook wel, dat ze hem moesten hebben, maar zat er niet zo mee.

In het dorp was tot 1951 geen enkele tv. Bij Bruggink kwam de eerste. Oom Bernard Hulshof (Ruurloseweg, radio's en fietsen) zorgde voor het toestel. Gert Harmsen, de smid en buurman, zorgde met 6 man voor de plaatsing van de antenne op het dak.

Zoveel jeugd kwam toegestroomd, dat de groepen gesplitst moesten worden, de een op woensdagmiddag, de ander op zater­dagmiddag. Een hele rij klompjes stond dan voor de cafédeur.

Het bedienend personeel moest bij interlands naar buiten om de kelder te bereiken en om de klanten te bedienen. Na rust moest er omgewisseld worden, de achtersten naar voren. Het zag zwart van het volk in het kleine oude cafeetje. Met 50 man zat het al propvol.

Verhaal (Geert): er was eens wat gestolen. Bij toeval bij wandeling opgemerkt (niet geheel duidelijk). Geert was net uit ziekenhuis. Bij Michels en Bruinderink waren ook sigaretten en shag weg.

Voor het begin van een bruiloft in de zaal kwam een zoon bij Geert klagen dat zijn vader altijd stomdronken thuis kwam na zo'n feest. Of hij hem een beetje in de gaten kon houden.

Wat bleek? Als iedereen aan het dansen was, dronk hij alle borreltjes snel leeg; alles door elkaar cognac, jenever. Dus dat was snel verklaard.

Ooit zat een man zingend op de wc, stomdronken natuurlijk. De schoonmaakster vond hem. Hij wilde er niet uitkomen. Jan lichtte de deur eruit. De politie werd gebeld. Die brachten hem naar huis, vlakbij Wullink in de Voort. De politie bleek hem bij het verkeerde huis af te leveren. De vrouw werd uit bed gehaald.

Een van de jongens Arendsen was ook eens zat. Hij was in de kleedkamer (?) in slaap gevallen. Hendrik bracht hem thuis en legde hem in bed.

Chris Knol was ook vaste klant, al dronk hij nooit veel (een flesje bier of zo, maar Geert had dat soort klanten net zo lief. Eens zat hij samen met Arnold Luimes aan de tap. Beiden lustten wel een plak leverworst in zuur (jach), maar hadden geen geld. Chris zei, er wel drie te lusten. De jongens daagden hem uit: wij betalen als je ze alle drie opeet.

na twee plakken stopte hij plotseling. Jongens, ik stop ermee, want het is vasten. En ging naar huis.

Arnold had het ook niet breed, en keek heel zielig naar het laatste plakje. Die hebben we toen maar meegegeven.

De meesten hadden nog geen telefoon. Dan werd er in de gang in het cafe gebeld. Eens waren Hendrik Dieperink, Wissink, Gert Jan Harm­sen en Dorus Jansen Overmaat bij elkaar. Wissink wilde bellen. Het lukte hem niet, omdat Geert een knop ingedrukt hield. De een na de ander probeerde het, maar tevergeefs. Dorus Jansen werkte bij de PTT en wist dat ik een knop indrukte. Maar toen hij het wel even wilde laten zien, drukte Geert ook snel de knop in. Hij ging af als een gieter.

Eens was een fiets gestolen. Politie gebeld, snel ter plaatse. Van Petersen kwam met zijn zijspan. Richting Doetinchem gezocht. Maar al snel bleek dat Willem Hilferink hem even had geleend om naar Gert Lubbers, knecht bij Harmsen de smid, te fietsen, waar de fiets stond. Politie voor niets erop uit gestuurd.

In het cafe kwamen veel stropers. Ze legden hun geschoten wild achter de grote kachel of in de kelder en dan kwamen de verha­len. Het ene nog mooier dan de ander. Of ze hadden een tientje gebeurd en kochten daarvoor een paar borrels.

We verkochten veel drank door meegebrachte flessen te vullen. Er stond een vat met 100 liter brandewijn en een net zo'n groot vat met jonge jenever. Dat werd ongeveer evenveel gedronken. Het was van oudsher een boerencafe. Als de boeren naar de kerk gingen, lieten ze daarna in het cafe de fles vullen en bleven dan even zitten aan de lange smalle stamta­fel. Een sigaar kregen ze er dan bij.

Ook in de winkels was het vaak zo: als ze de (jaar)rekening kwamen betalen, kreeg de betaler een borreltje met sigaar.

Hein Bruggink kwam na het stropen eens langs Arie van de Berg. Arie vroeg of Hein in het dorp de nieuwjaarskaarten op de bus wilde doen. Hein vergat het helemaal en vond ze een jaar later pas terug. Hij deed ze toen op de bus, zodat iedereen een verlate groet kreeg. Arie heeft het nooit gemerkt.

Ruzie was er zelden. Geert heeft er wel eens wat uitgegooid. In de tijd van trammelant bij Pax stuurde hij Theet Lankhorst en Han Lebbink wel weg, dat hebben ze hem nooit vergeven. Geert wilde zich er gewoon niet mee bemoeien.

Eens vroor het dat het kraakte. Riek Denkers (zus van Gert aan de Lankhorsterstraat): Ik wordt nooit meer warm; ik ga op de kachel zitten, zo'n hoge kolomkachel.

Gert Denkers (hoek Kastanjelaan, Banninkstraat) was de scheer­baas. Hij ging vooral langs cafe's. Hij had een knijptang bij zich als ‘alibi’.

In de oorlog was er op een moment haast geen jenever meer. Michels bracht een hoeveelheid jenever  mee uit Schiedam. 50% moesten we aan de Duitsers geven van hem. Alle cafehouders hebben het gedaan, behalve ik.

Na de oorlog wilde ik verhaal halen, maar toen werd gezegd: wat geweest is geweest, we begonnen allemaal weer met een schone lei. (algemeen de opvatting toen).

Geert heeft in de crisisjaren gevent voor bakker Willink en ook Demming. Op de volgeladen fiets vol 8-ponders en 16-pon­ders op weg naar Bekveld slipte en viel hij bij Hissink het Witte Paard. Het waren allemaal slechte zandwegen. Daar lag ik. Ik kwam niet meer overeind. Klompenmaker Garritsen hielp me overeind.

Het cafe was ook uitleenbedrijf voor fietsen. Als mensen familie in bv. Bekveld wilden opzoeken, dan kwamen ze met tram of bus en leenden dan bij ons een fiets. Op de terugweg zetten ze hem er weer neer. Dat ging zo, zonder betaling, afspraak of voorwaarden. Je kende iedereen, en vertrouwde elkaar.

Vroeger moest je met 2 getuigen kind aangeven. Die kwamen dan ook vaak in het cafe terecht.

Ach, vroeger was het ook niet erg als je dronken was. Je was met de fiets of lopend.

Broer Jan kwam eens 's nachts half 4 thuis, iets wat je nor­maal niet deed toen (moest je er al bijna weer uit). had hij even een deerntje weggebracht naar Zwolle. Bernard was het eerste uit huis. Hein, Harry en Geert sliepen in 1 bedstee. Die waren altijd groen. Met zo'n gordijntje ervoor en een gaatje erin. Gert sliep in de bedstee aan cafe. In het cafe zat stroper Te Kulve "de Koppel". Gert droomde zo, dat hij tegen de deur van de bedstte schopte, die openklapten. Hij schrok zo, dat hij met zijn hoofd in de 'gruusbak' viel en uitriep: "De wereld vergeet".

Op den duur ging het niet meer met Geert. Hij maakte altijd zo'n 120 uur per week. En altijd dat gedoe om de klanten met sluitingsuur de deur uit te krijgen. Altijd van die figuren die tot het einde bleven zitten en 5 voor 12 nog een flesje bestelden. Zoals Leo Arendsen en Henk Onstenk.

Gerbscheid ("Scherpschijt") was een onbenullig figuur. Hij was schoenma­ker. Woonde hoek Ruurloseweg (later Meulenbrugge).

Eens kiepte hij een ton vol stront over woonwagenbewoners heen, die wat al te lastig voor zijn huis vertoefden. Bij mensen die hij minder mocht, maakte hij een snee in de schoen, zodat die later helemaal bol kwam te staan.

Huib Weg was een vrijgezelle oom van Adriaan. Huib dronk wel eens een borreltje teveel. Eens lag hij zo in een delirium achter wat vaten bij zijn huis (Buunk-Bannink, Raadhuisstraat). Hij had een geweer bij zich, waarmee hij vervaarlijk rondzwaaide. Als schoolkinderen durfden we niet langs hem heen, zodat we (Jo) te laat op school kwamen. In onze beste Hollands vertelden we de schoolmeester: "Huib Weeg wou ons doodschijten".

Adriaan Weg: Gert en Jan Bruggink en Adriaan gingen vissen. We fietsten over de Baakschedijk, die in heel slechte staat was, vol kuilen en gaten. Met een bamboestok aan de fiets fietsten we al slakkerende om de gaten heen. Plotseling schoot de bamboe­hengel van Adriaan om een boom heen. De emmer vis zat eraan. Hij stopte ze er gauw weer in. Thuis bleek de bodem eruit; had hij nog niks.

Ieder jaar had hij huishoudelijk gerei in de uitverkoop. Speciale aanbieding: aardappel­schilmesjes van 35 voor 48 cent. Adriaan woonde met tante Sophie, een zus van vader Jan Weg, de oude kuiper. Adriaan's vrouw Cato was al vroeg overleden. Ze waren erg zuinig. Ze hadden eigen gekarnde boter. Adriaan ging  soms met zaklamp naar zijn land iets verderop.

Hij was oorspronkelijk ook kuiper, maar gaandeweg raakte dat beroep eruit.

Een echt dorpsfiguur was oom Albert 'Olbert' Bretveld (oom van Jo). Hij was een arme sloeber, die teveel dronk. Hij is bekend van het verhaal van de kikvors (zie elders). Als bieleman wierp hij een collega in de Bleek met de uitdrukking: "een kikker mot zwemmen". Naast bieleman was hij vooral schoenmaker. Hij woonde aan de Ruurloseweg met zijn zus Riet (Rika). Ze verdronken alles. Ook zij lustte hem wel. Ze was in dienst bij Kerkhofs. Van de verdiensten van 15 cent per dag liet ze na haar werk bij Van de Weer haar platte flesje onder de jas vullen.

Olbert hadden ze dikwijls voor de gek. Eens toen hij sliep lieten ze varkens van hem op het schoolplein (tegenover hen) los. Daarna maakten ze hem dan 'in paniek' wakker.

Olbert liep eens met 'los' paard bij het café van Van der Weer binnen.

Later kwamen vader (van Jo) Gert bij hem wonen; ze hadden echt niks. Olbert stierf in 1941.

Naast hen woonde neef Gert Bretveld (had geen kinderen, en is altijd daar blijven wonen). De broer van vader, Jan, woonde in Zelhem.

Jo: Dominee Barbas was een onsympathieke man. Hij vroeg aan mensen waarom ze niet in de kerk waren geweest. Mijn vader mocht hij niet, omdat hij in de bouw werkte. En bouwvakkers waren bij hem per definitie zuiplappen, door dat pannenbier en zo. Vader dronk echter geen druppel. Toch zei Barbas tegen hem: "Jij behoort tot het uitvaagsel van de gemeente". Dat was reden waarom vader niet meer in de kerk kwam.

Polman woonde aan de Schoenmakerstraat tegenover café De Zon. Hij was een houtsleper. De grote lindeboom voor het café stond vooral voor hem in de weg. Hij moest er omheen. Bij hele lange boomstammen moest hij er zelfs een stuk afzagen.

Juffrouw Antje (Verstege) had een naai- en breischool voor de meisjes die van de lagere school af waren. Een les duurde van 5 tot 7, 4 maal per week voor 20 cent per keer.

Overdag was het een bewaarschool=kleuterschool. De meisjes moesten zich helemaal opvouwen in de kleine banken. Ook jongens hadden er 'herhalingsonderwijs'. De school stond tussen gemeentehuis en Lenselink bij de pomp, die er nu nog staat.

Bij de tram werkte Kistemaker, de machinist. Hij lustte hem graag. In Vorden liet hij de tram bij Uenk stoppen met de smoes van pech en even een knijptang te pakken. Maar ondertussen sloeg hij snel een paar borrels achterover.

Hij was een grote fantast. Hij vertelde dat hij bij een bezoek van de Koningin aan Zutphen "Dag Koningin" had geroepen, waarop de koningin antwoordde: "dag Kistemaker".

Ze hielden hem ook voor de gek. Achter het tramstation lag een stuk land, waarop hij aardappels verbouwde. Aan een bos bonden ze 40 aardappels vast, en dat was natuurlijk voer voor zijn opschepperige verhalen.

Met de tram hadden als jongens veel plezier. We sprongen vaak achterop en reden een eind mee. De tram stond altijd stil bij Wansink, wat ook meelhandel was. Daar moest opgeladen worden, wat gedaan werd door Hendrik Voskamp en Schierboom. Nu liep het daar af naar beneden richting dr. Meinders. Als kwajongens deden we een steen onder de tram, zodat hij afliep. Konden ze hem weer helemaal terugduwen.

Als er veel wagens achterzaten, konden ze de bocht bij Berend­sen niet eens halen. dan moest er eerst wagens losgekoppeld worden, en later er weer aan; een tijdrovend karwei.

Oom Ute Kreunen kon je zo ziek praten. Als je zei dat hij er slecht uitzag, dan werd hij ter plekke ziek. 

Dr.Meinders was gek op geld. Moe was veel ziek. Hij hield haar aan het lijntje met een onschuldig dropwatertje. Tot ze in de AOW kwam en hij er geen geld meer voor kreeg. Toen zei hij plotseling: ik kan niets meer voor je doen. Hij kon niets meer aan haar verdienen.

In zijn oud autootje moest Mina Bosman (dienstbode) rijden. Riek Nijland was daar ook dienstbode. Ook Tine Lenselink was daar in betrekking. Een dochter van Meinders trouwde met een Tjeenk Willink.

Riekske Kelderman had net zo'n auto als Meinders.

Bernard Cuppers was ook een apart figuur, die veel opschepte. Hij beweerde dat hij zo hard kon rijden, dat hij zichzelf op de rug kon kijken. Eens met motor tegen boom bij Zelle onderweg naar Kranenburg.

Hij woonde aan de Vordenseweg, was metselaar. Broer van Carel aan de Tramstraat. Bernard is rond de oorlog gestorven.

Met een stel stond hij vaak bij Kremer op de hoek (hangplek voor jongeren). Daar aten we pinda's na ze te doppen.

De schoolmeester waarschuwde, dat we daar niet moesten rond­hangen.

Voor de oorlog zaten een stel kerels te kaarten op de Bleek. Wij stonden erbij te kijken. Voor 3 cent haalden we voor hen een ons (slechte) pinda's bij Taken, dan kregen we er zelf ook een paar.

Berend Blom was NSB-er maar geen kwaaie. Hij heeft zelfs aan de Jood Jacob Philips aange­boden daar onder te duiken. Bij hem zouden ze nooit zoeken. Jacob was ook schilder bij Lenselink, net als Gert Bruggink.

Jacob ging niet op het aanbod in, vertrouwde erop dat hij als half-jood niet werd opgehaald. Tevergeefs, ook omdat zijn arische vader (Sammy) niet wilde tekenen.

Ook Fiepke (Philip Philips) werd gewaarschuwd, dat als hij naar huis liep gearresteerd zou worden, omdat er een overval­wagen stond. Hij wilde echter per se naar huis, want hij had geld in de zak... Hij overleefde het niet.

Bij Cohen hadden ze drie jongens: Bram, Frits en Hans.

Erna was de vrouw van de andere Jacob Philips, aan de Vordenseweg 8. Ze was oorspronkelijk Duitse. Ze was doodsbang. Als we er heen ginge, moesten we tweemaal op de ruit tikken, teken dat het goed volk was.

Aan de overkant van Jo Bretveld aan de Ruurloseweg woonden meer Joden. De families Philips en Meyers. Waaronder Lowieke, een dwerg. Hij sprong op een fiets door eerst op een kilome­terpaal te staan. Hij keek ook wel eens bij de vrouwtjes onder de rokken.

Nölle Wolsink was voorzitter van de HAMOVE. Hij stond graag met de borst vooruit. Bij een uitreiking aan Ab Oortgiesen waar ook buitenlanders waren, deed hij heel interessant: I give you the flowers... muziek...! Verder kwam hij niet.

Eylenburg was de sikkestal. Dat cafe stond bij hoog water ook vol (Weppel). Eylenburg was familie van Demming. Slodderwietske trad daar op, een kerel met zo'n stamper met bellen (spölleman) en eentje met een harmonika. Zij waren ook veel bij Lenselink.

Jansen de Roos, bij hem kon je altijd terecht voor collectes e.d. Hij vroeg dan wel wat Klem gegeven had en andersom. Ze gaven altijd hetzelfde. Wij wisten dat precies natuurlijk.

Eens was er actie voor bankjes in het dorp met stoelen en tafels. Hij gaf zo 100 gulden.

Veldwachter Bakker redde velen bij een razzia tijdens een Pax-feestavond bij Piet-op-zolder in de oorlog. Hulshoff vluchtte naar Ten Arve, een NSB-er aan de Spalstraat. Hij beschermde Hulshoff; hij was ook een goede NSB-er, geen verrader.

Zusters Bruil, woonde op Het Langeler, nu Momberg aan de Slotsteeg (achterhuis staat er nog). Het was er een zwijnenstal. Geld hadden ze in een krant gewikkeld, dat hadden ze genoeg. De muizen liepen er over tafel.

Als je noten wilde plukken, moest je het eerst vragen.

Als je petroleum kwam brengen, dan vroegen ze altijd: wie is dat? Anders kwam je er niet in. De greep stond klaar.

Zelf waren ze ook pikzwart. Ze waren zo vies dat je niet zag, dat ze haren hadden! Na het wassen in het rusthuis ging er eentje dood. de ander viel voorover in de kachel.

Een boom groeide door het dak.

Paul Pleunis was een artiest. Hij werkte eerst bij Pietbaas. Later werkte hij met Cor Sooyer (ook uit zuiden) samen als schoenmaker. Hij was bij Acht man & Co. Was ook voortreffelijk toneelspeler. had verkering met rossig type.

Hij haalde rare kunsten uit. Sliep op de bank bij Berendsen tegenover Demming een hele nacht. Tot Wisselink eraan kwam (kon je altijd horen met zijn stok) en dan sprong hij plotseling op en zei: Goedenavond.

Ook ging hij eens midden op het kruispunt bij Berendsen/ Langeler liggen, urenlang. Het (nog weinige) verkeer ging wel langs hem heen.

Als kind gingen we bij Witte in de tuin naar Concordia luisteren die daar onder de treurwilg repeteerden. Garritsen e.a.

Acht Man & Co was een soort dweilorkest van Concordia. Ze oefenden achter het huis van Simon Philips aan de Ruurloseweg. Ze liepen in een soort matrozenpak.

Met twee kwartjes ging je naar Reint Jolij. Paar potjes biljarten, een flesje champagnepils. Of limonade voor 15 cent. Met 17 jaar mocht je er nog niet in.

Totaaluitgave ¦1.05.

Willem en Jan Jansen van de Lange Wagen.

Zaten vooral oude lui in het cafe. Ze reden met een vat op een lange, platte wagen. erop stond Shel, de letter l was er af. Volgens zegfgen was die gebruikt voor Lange Wagen. Met markten was het een bierhuis, maar stelde niet veel voor. Eigenlijk waren ze petroleumventers. Jan was meer doordenker. Ook bijnaam "De Karre" (Herman). De vader kwam wel eens bij De Zon brood eten. Hij belandde op het Groot Graffel.

Johan Boerman was de jongste Boerman en werkte bij Kreunen. Eerst bij Matje Voskamp, toen hij 12, 13 jaar was. Die was kruidenier aan de Hummeloseweg (nu ABN/AMRO). Deze was erg krenterig ("HaKa", een "slimmen"). Johan moest boodschappen venten, waarvoor hij een kwartje per week verdiende. Een keer kwam Johan 35 cent tekort. Van Matje moest hij dit terugbetalen, hij hield het van zijn loon in. Hij kreeg zijn kwartje niet en moest een dubbeltje betalen. Arnold (broer) ging er naar toe. Hier is het dubbeltje, maar Johan komt nooit weer. Hij was zo zuinig dat hij geen kachel aanstak. Je moest je maar warmen door te werken.

 

© W.J.M. Hermans, 1999

 


Home