OLD HENGEL

De historie van Hengelo Gld

 

 


 

20e EEUW

 

 

GROEPSGESPREK OUD-HENGELOERS

 

Gesprek 6 juli 1999 in de Bleyke met Jaap Hulshoff (77, initiatief), Jan Lubbers (83), Roel Kreunen (67), Hentje Voskamp-Starink (83) en Bart Kroesen (82).  Ondervrager: Willy Hermans, naar aanleiding van boek Daar midden in de Graafschap

Onderwerp: Old Hengel

 

Allerlei onderwerpen uit de periode 1920 - 1970

Ds. Barbas: een militair, zeer streng. Hield precies bij wie niet in de kerk kwam en zei dat betrokkene ook. Hield dan persoon aan en zei: hier staan ze wel, maar 's zondags in de kerk zie je ze niet".

Dries Kremer, timmerman, liep met kar vol hout. Kwam Barbas tegen die zei: "Dag Dries". Dries antwoordde net droogjes: "Dag Jan". Lijkt simpel, maar niemand sprak dominee met voor­naam aan.

Zijn vrouw Sara Brieët liep altijd 50 meter achter hem.

Niet bij iedereen boezemde hij ontzag in. Op 't Zand werkten kolenbranders uit de Veluwe. Als Barbas dan zei: "ik ben de dominee", zeiden ze koeltjes terug: "wat kan mien dat verdommen". Evert van de Kolk kwam daar nog vandaan.

 

Adriaan Weg. Winkeltje naast Raterink. Had een groot 'maga­zijn' op deel vol dozen en troep. Soms zocht hij iets en pakte dan alle doosjes uit. Cato (leeft nog, ca. 90) riep dan: "Ajan, ie pakt toch niet alles weer uut?".

Het was een typisch dorpsfiguur met vreemde gewoontes. Zo was hij in staat om in het holst van de nacht bij volle maan met zijn kruiwagen naar zijn stukje land achter Kelholt te lopen.

Hij was ook heel zuinig, als hij maar iets voor niets kon krijgen. Als je bij hem vroeg om kersen te mogen plukken, was de helft voor hem, maar hij dan al lang gezorgd dat het beste weg was.

Langs Bruil en Raterink liepen paadjes naar Kreunen.

 

Met markten en kermissen kwamen marechaussees uit Ruurlo de zaak een beetje in de gaten houden, want er waren dan veel zatlappen en zigeuners, en van de veldwachters kon men niet al te veel verwachten. De marechaussees stonden strategisch opgesteld op de hoek bij Kremer. Dat was ook een verzamelpunt voor jongeren, net als bij Taken ('pindabasten').

Van de zigeuners had men veel last. Als er wat het dorp bin­nenkwamen werd iedereen gewaarschuwd. Alle kippen en andere loslopende dieren werden binnengehaald. In winkels was men extra verdacht op diefstal. Ze waren heel gehaaid, hielpen zogenaamd met muntjes tellen. De woonwagens werden vaak bij de Lange Wagen geparkeerd.

Als ze in een café zaten en een kind moest plassen, pakte ze die bij de klamotten en hielden die buiten de deur. Althans zo wordt het verteld.

 

Toon Kroesen, de nachtwacht vertelde nooit wat hij 's nachts meemaakte en daarmee zijn waarschijnlijk veel fraaie anekdotes verloren gegaan. Hij liep zijn ronde van 11 tot 4. Hij moest ook de lantaarns langs om ze aan te steken. Daarvoor had hij een ladder bij zich. Veel licht gaven ze niet. "Ie liep d'r net niet tegen an". Lantaarns stonden bij Berendsen de kruide­nier, dr. Meinders, Kervelseweg.

Ter controle moesten ze klokjes opdraaien aan de buitenkant van het dorp: bij de boterfabriek, bij Van Soest (Jentha). Die leken op een oude griffeldoos. Zo kon men controleren dat de rondes volledig gelopen werden. Kennelijk zijn er wat nacht­wachten geweest die dat niet deden.

Electrisch licht kwam in 1922, maar de lantaarns waren nog niet direct verdwenen. In advertenties stond toen wel bv. "electrische bakkerij".

Het was veldwachter Bakker (volgens Bart) die via de rug van Kroesen de boterfabriek binnenkwam toen er verdenking van inbraak bestond. Het was een soort batterij (lamp) die wat flikkerde.

Kroesen ging ook rond met verkopingen en veilingen e.d.

Een andere nachtwacht was Gerard Brekveld, Gerard van de Broekse. Woonde Kervelseweg. Brekkie (brandweer), was een zoon van hem, ook al zo'n bijzondere. Hij was fietsenmaker bij Luimes; plakte banden in de oorlog op weg naar Witkampers.

Een broer van de nachtwacht was Hendrik, die woonde aan de Wichmondseweg.

Gerard was ook kapitein van de bielemannen. Als hij een mededeling aankondigde ging dat zo: "in naam van de koningin - hu peerd - prins Hendrik van Mecklenburg - hu toch peerd - is overleden."

 

Langeler had een oorlogspaard gehouden, een heel vreemd uit­ziend dier, omdat het een oog kwijt was.

 

Toon Keizer ging altijd met loten van de marktvereniging rond. Eigenlijk was het een raadsel hoe hij dat deed, want hij kan lezen noch schrijven, laat staan rekenen. Toch verkocht hij er elk jaar duizenden. Hij ging daarvoor huis aan huis de deuren langs, ook buiten Hengelo; op de markt in Doetinchem en zo.

Hield zelf altijd nr. 1, dat lot was lichter van gewicht.

 

Op de bewaarschool was juffrouw Antje (Versteege, een tante van schoonzus van tante Henny). De school stond naast het gemeentehuis, voor Grootbod. Er stond een buurtpomp bij (eigenlijk van Eylenberg), die staat er nog. Juffrouw Antje woonde daar ook bij in de school, ze was vrijgezel. Ze had 2 pleegkinderen: Alie de Kreek en Mientje Masselink.

Ze was er mooi druk mee, want ze moest ook de katoenen luiers verschonen. Die hingen aan een lijn door de klas heen. Er was 1 bewaarschool voor alle kinderen: katholiek, protestant of anderszins.

 

Een swaps er brand bij Kremer. Toevallig aanwezige jongens uit Vorden wilden helpen met de emmers, waarop ze van de Hengelose brandweer te horen kregen: "Wegwezen, dit is onze brand".

 

Visafslag, oftewel de winkel van Brekveld. Die duurde tot de oorlog; daarna deed Prins het. De vis kwam uit IJmuiden, soms klonk het: "Storm op zee, geen aanvoer". De vis ging in manden per trein tot Zutphen, daarna met de tram. Het meest schol, ook koolvis en wijting. De tram stopte voor het Kreunenstraot­je. Gert Lenselink was de afslager, zijn zoon woont nog aan de Regelinkstraat. Hij haalde de mand met vis eruit met een kruiwagen die onder een bak werd geschoven. 4 schollen gingen op een deksel en dan klonk het "mat - schol".

Het begon met bv. een gulden en dan naar beneden tot iemand "mijn" riep. Wereldberoemd is het verhaal van Aäron Meyers die door kwajongens met een naald werd geprikt en met veel te dure vis bij Rebecca kwam. Daar kreeg hij dan "door de benen".

Aäron was een arme sloeber. Maakte jute zakken, handelde wat in lompen, oud ijzer en vellen. Zijn dochters Nanny en Roos moesten naar Zelhem lopen om een nuchter kalf op te halen.

 

De Kervelseweg heette de "sikkestraot". Niet alleen omdat er veel sikken waren, maar aan het einde woonde Maalderink die een bok had, waardoor menig sikkenbezitter door de Kervelseweg liep, om de sik ter dekking aan te bieden bij de bok.

Naar aanleiding van dit de volgende anekdote:

Jantje komt te laat in de klas. De meester vraagt:

"Jantje, waarom ben je te laat?"

- "Ik moest met de sik naar de bok, mees­ter".

"Kon je vader dat dan niet?"

- "Nee meester, dat moest de bok doen".

 

Bokken kon je voor niets van Sanderman krijgen, die kosten alleen maar geld.

Hetzelfde was het een poosje met biggen (1e WO?), die toen niets waard waren. Dan kwamen sommigen met meer biggen thuis dan ze gegaan waren. Kostte alleen maar geld (voer).

 

Nölle Wolsink. Stapelbroek (nu Waenink) was eens aan het slachten toen Nölle van school kwam en het eens ging bekijken. Stapelbroek stond net klaar met de pin in het masker om het beest dood te schieten. Precies op het moment dat Stapelbroek schoot, werd Nölle door een hond gebeten en schreeuwde het uit. Stapelbroek schrok zich lam, dacht dat hij Nölle had geraakt en vloog naar buiten: "Waor he'k oe geraakt, waor he'k oe geraakt?"

Nölle woonde naast de Roos, waar nu de apotheek staat. Onder De Roos zaten spekkelders, en zitten er nog.

Bij Jansen de Roos heeft zich heel wat afgespeeld. Hij organiseerde enige jaren een verloting. Hij sjoemelde met de prij­zen. Van een rol linnen maakte hij er 2; de 'villa's' die hoofdprijs waren, lootte hij altijd zelf of familie of knecht.

In de winkel vroegen ze "He'j varkenspeute? Dan ku'j vast slech lopen". Het was een winkel met koloniale waren. De 'Duitse vrouw' stond daar ook in. Leenen en Reinier Arendsen hielpen er ook.

Dochter Mina was getrouwd met Nöthorn. Zij liep mank.

Jansen was zeer zuinig.

 

Jan Oortgiesen was melkboer. Onder de kar zat, tussen de boter, een hokje voor de trekhond. De gebroeders Jansen van de Brouwersmolen hadden ook zo'n trekhond met kar, die paste precies op de tramrails. Hij woonde hoek Hofstraat/Regelink­straat.

 

Bij Windmuller (dus voor 1919) was een brievenbus. Jongelui haalde daar een paar maal kattekwaad uit: ze piesten door de brievenbus. Roel Kreunen hield de klep hoog, terwijl Jan Oortgiesen er door plaste. Op dat moment kwam veldwachter Wisselink er aan, Kreunen liet de klep los en Jan zat er met z'n kleine derkman tussen. "Ik was net an de beurte", jammerde hij nog tegen de veldwachter.

 

De tram hoorde je van verre aankomen. Bij Berendsen op de hoek stond een scheve paal. Iedereen pakte daar aan vast bij het nemen van de bocht. Jongens smeerden er dus steeds wat op: hondenkeutels e.d.

Machinisten waren Kistemaker, Onstein (woonde Horstink), Hazen-Jan Regelink. Conducteur waren (later) Bloemendaal, Spieker, Thomassen. Kistemaker kon zo enorm overdrijven. Alles was bij hem altijd veel groter. Toen koningin Wilhelmina in 1924 in Zutphen op bezoek kwam, beweerde hij dat toen hij zei: "dag Koningin", zij antwoordde: "Dag Kistemaker".

In 1939 ging de tram naar de GTM. Een poosje was er de electrische tram. Peter Wilten was de werkmeester op de werk­plaats. Later ging hij naar Doetinchem en werd tekenaar bij de NEMAHO. Is pas overleden.

Bij het Groot Graffel gingen alle passagiers in een bocht aan één kant zitten, dan schaafde de tram net langs een boom.

In Vorden stopten ze wel eens bij Brandenburg, zeker met Kistemaker als machinist. Na een paar borrels, ging het in hoog temp naar Hengelo, want het was kermis. Bij de Spannevo­gel ging het mis, de tram vloog uit de rails, midden in de tuin. Net 12 uur liep de tram weer binnen, de kermis was net afgelopen.

Ook bij Eli Langeler (hoek Vordenseweg) vloog de tram wel eens uit de bocht. Tegenover de HCI is Chris Lubbers daar (ook met de kermis) al eens verongelukt. Hij schuilde tijdens een onweer onder een wagon, toen Wolterink met een auto er tegen aan botste. Chris kreeg een rad over zich heen.

 

Gerbscheid ('Scherpscheit') woonde aan het begin van de Ruur­loseweg (Meulenbrugge). Hij was een vervelend mannetje. Jon­gens zaten hem altijd uit te dagen. Op weg naar de tekenschool (in de OLS) bonkten ze op zijn vensters. Hij sloeg er toen spijkers door heen.

Gooide aalt over woonwagenbewoners, sneed stukjes leer net niet helemaal door, gooide een bakkei door een bovenlicht net toen oom Olbert en tante Rieka een bord soep aan het eten waren.

 

Stropen. dat gebeurde ook op het kerkhof, daar zat veel wild (konijnen, hazen) die daar rustig hun holen groeven.

De gebroeders Arendsen jaagden met fretjes en zelfs een vos. dat ging net zo goed als een hazewindhond. Het waren 5 broers, alleen Reinier is getrouwd.

 

Hiddink was een groenteboer met tweederangsspul: kroten, kool. Hij had zijn vaste klanten, die zich verplicht voelden wat af te nemen. Eens kwam hij bij dr. Dwars, midden in het spreek­uur. "Kleed je maar vast uit, ik kom zo", kreeg hij te horen en hij gehoorzaamde keurig. Daar stond hij spiernaakt, toen dr. Dwars vroeg: "Wat is er aan de hand". Hiddink antwoordde droogjes: "Ik wol wetten of i'j nog eerdappels mos hebben"...

Bij Kreunen ruilde hij altijd groente voor brood.

 

Ook de gebroeders Taken (Jan en Bernard) waren dorpsfiguren. Zij karden ook door het dorp met groenten, maar Jan was ook doodgraver. Tijdens een strenge winter kwam hij bij Kroesen, want hij de grond was zo hard bevroren, dat hij geen gat kon graven. Kroesen hielp hem met een bijl, door de grond zo ver af te slaan, dat de vorstlaag er af was.

Hun winkeltje was niks, de jeugd kwam er samen om pinda's te eten; het lag er altijd vol met 'pindabasten'.

 

Dr. Meinders trok volgens de verhalen tanden met een knijptang. Als een tand afbrak en bleef bloeden kon je in het ziekenhuis terecht komen.

Hij had een prachtige auto: een Peerless. Rijden kon hij niet. In de garage liet hij de auto, na met een slin­ger aange­draaid te hebben, warm draaien door vol gas te geven. Hij stoof dan uit de garage om eenmaal op de weg bij het gemeente­huis heel traag verder te sukkelen.

Daarvoor had hij een rijtuig, die in een soort stal stond met 2 deuren. Later werd dat spreekkamer. Hij had wel een goed middeltje tegen struma, van heinde en verre had hij klanten.

Ook dr. van Ingen heeft hier zijn praktijk gehad. Toen die in Zelhem zat, hield hij nog een poos een keer per week zitting (plek huidige apotheek?). Dat was toen heel gewoon, later deden tandartsen dat ook lange tijd: Japing bij Lebbink; Van Dijke bij Michels. Daar moest je een gevaarlijke trap op.

 

De Dickmann's kwamen in de 1e WO hier naar toe vanuit Duitsland. De oude Jan (van het hotel) stierf jong. s Avonds zoop hij zich klem; hij zei vaak dat was vanwege een groot verdriet, wat heeft hij nooit tegen Bart verteld.

Zij waren familie van Hoekert, ook al zo'n dorpsfiguur. Ging ook met kar rond, met van alles erin, tot kippen toe.

 

Kreunen. Zaak had Ute (ook R.) Kreunen met zus. Vader van Roelie was Roelof, een zoon van Herman, die café/bakkerij op hoek Spalstraat/Raadhuisstraat had. Herman dronk teveel, deed de zaak van de hand en werd bakkersknecht bij Ute. vader Roelof was her en der al knecht geweest en nam later de zaak over. Steeds R. op R. op R., vanaf 1820.

Boeren bakten vroeger hun roggebrood bij de bakker: "loonbak­ken". Ze brachten hun brood in een kruiwagen. De broden gingen in de oven, die soms zo vol zat, dat het een heel gemik was.

Ze bleven wachten voor de open haard, waar de verhalen los kwamen, al spuwend met pruimtabak. De vrouwen hadden daar een hekel aan, het was een smeerbende. Moeder had een kistje met zand neergezet, waar ze in konden spugen, maar de boeren bleven er naast spugen, waarna moeder het kistje dan weer verzette, zodat ze er beter in konden mikken. Tot een boer het begon te vervelen en zei: "A'j dat ding nog één keer verzet, spi'j ik oe d'r middenin".

De boeren kwamen 's zondags, zetten de fiets achter de zak, gingen naar de kerk en kwamen na de dienst weer terug om een borreltje te drinken, en spoms wat boodschappen meenamen. Moeder maakte daar een eind aan.

Dat gebeurde heel veel vroeger, zo ook bij Jan Scholten. Als je een trapje opliep, kwam je in en lange kamer met een lange tafel. Daar zaten heel wat boeren, die aan het eind van de dag (!) een kar vol boodschappen mee naar huis namen.

 

Smit was een 'slimme' politieagent. Vader Kreunen vluchtte eens voor hem, hij had geen belastingplaatje aan z'n fiets (voor een knaak had je zo'n ding, dat meestal aan het stuur bevestigd was). Smit hem achterna en pakte hem. Toen bleek dat Kreunen het plaatje gewoon op de fiets had.

 

Jaap Meijers kwam vaak met de brommer. Kwam vaak in de keuken en snaaide wat mee. Eens had vader wat mislukt gebak op een plaat staan. “Mag ik daar één van?” vroeg Jaap. “A'j ze allemaol op-et, krieg i'j 't veur niks”, zei vader. Jaap kwam tot een stuk of zes, die hij bij vertrek keurig betaalde...

Jaap kwam vaak, had altijd sterke verhalen.

Het was hard werken, met lange dagen, maar we hadden altijd schik. Altijd gedoe met vertegenwoordigers, waar vaak rare snuiters tussen zaten.

 

Tinus was een stoelenmatter uit Doetinchem. At een spekbokking met huid en haar op.

 

Tijdink had een koffieroom. Bij onweer was zo'n roomhoorn hardstikke zuur. Gosselink at hem toch op: “He'j deze soms van karnemelk gemaakt?”. Toen het antwoord bevestigend was, nam hij er nog een...

 

© W.J.M. Hermans, 1998

 


Home