OLD HENGEL

De historie van Hengelo Gld

 

 


 

20e EEUW

Herrie in de boterfabriek

De komst van de boterfabriek in 1901 was voor een dorp als Hengelo van groot belang. Het zorgde voor een economische impuls, maar het bracht ook grote veranderingen in de bedrijfsvoering van boeren teweeg. Bestudering van de geschiedenis van de boterfabriek levert genoeg bruikbaar materiaal op voor een apart hoofdstuk. Directeuren en besturen die opstapten, onderlinge ruzies, ontslagen, een oorlog en een botersmokkel zorgden ervoor dat de eerste 20 jaren onstuimig verliepen. Desondanks maakte de fabriek een flinke groei door, werd een aantal maal uitgebreid en de boter won diverse prijzen, zodat het al snel een niet meer weg te denken plaats in Hengelo innam.

 

Voorgeschiedenis

In de 19e eeuw maakten de boeren zelf boter en kaas. Veel stelde dat niet voor. De ene koe die ze bezaten produceerde amper 30 kg boter per jaar. De inkomsten kwamen meer uit de akkerbouw. Na 1850 ontdekten de boeren boter als bron van inkomsten. Dit steeg van een paar tientjes naar enkele honderden guldens per jaar. De boter was van matige kwaliteit, maar door de grote vraag raakten ze het wel kwijt. Controle was er niet, zodat op grote schaal werd geknoeid, ook in Hengelo. De boter werd met allerlei stoffen aangelengd en als Friese boter verkocht. De 'zoutboeren' stopten voor aflevering een bal zout in de boter hetgeen meer gewicht en geld opbracht. De Hengelose boterbereiders moesten naar de botermarkt in Zutphen. Rond 1850 gingen enige winkeliers op proef over tot de inkoop van boter. Dit was al een verbetering. Enige tijd later deed C. Langeler en 19 mede-ondertekenaars het verzoek aan het gemeentebestuur om een botermarkt in te voeren. Het duurde tot 1865 voor dat een feit werd. De verkoop was in de boterloods bij de Remigiuskerk.

Rond 1875 ontstonden margarinefabrieken, die een grote concurrent voor de melkveehouders waren. In Hengelo begonnen Gerard Poesse en Hendrik Wansink in 1878 aan de Banninkstraat zo’n fabriek, die in 1886 weer failliet ging. De snelle opkomst van de margarine had direct gevolgen voor de boterverkoop en vooral die van inferieure boter. Op zandgronden konden de boeren zich toeleggen op andere produkten, maar in Friesland met louter weidegronden had men deze mogelijkheden niet. Dit leidde in 1886 tot de oprichting van de eerste coöperatieve boterfabriek in Warga. Ontwikkelingen op technisch gebied speelde een belangrijke rol, met name door de uitvinding van de centrifugale ontroming van de melk in 1878. Hierdoor kon continu boter geproduceerd worden in grote hoeveelheden tegen lage kosten. Tevens kon het botervet van de melk worden gescheiden en steeg de boter spectaculair in kwaliteit. In Friesland waren het de grote boeren geweest die voor de oprichting van zuivelfabrieken zorgden, maar in Oost- en Zuid-Nederland waren weinig grote boeren. Toch kwamen deze fabrieken er, veelal op initiatief van plaatselijke notabelen en winkeliers. Heftige discussies gingen hier aan vooraf. De fabrieken zouden de ondergang van de boeren betekenen; ze raakten hun inkomen en zelfstandigheid kwijt en afhankelijk van de fabriek worden. Ze waren bang dat ziekten onder het vee zouden worden verspreid en dat de veefokkerij achteruit zou gaan. Maar ook tegenstanders gingen overstag toen ze de voordelen zagen. Karnen was een zwaar karwei voor de boerinnen, die nu hun handen vrij kregen voor andere taken. De kwaliteit van de boter steeg met sprongen, zodat de afzet sterk verbeterde.

 

De voorbereidingen

De noodzaak van een coöperatieve zuivelfabriek drong ook tot Hengelo door. Eerder werd een poging van Bernard Hilderink gestaakt om een roomboterfabriekje in Keijenborg draaiende te houden. De eerste stoot tot oprichting van een vereniging gaven notaris Koning, landbouwer Esselenbroek en winkelier Wansink. Vooral Koning, eerder al initiatiefnemer voor de tramlijn naar Zutphen, zette zich in om de vereniging en daarmee de boterfabriek van de grond te krijgen. De Zutphense Courant van 15 januari 1900: De resultaten van besprekingen over de oprichting eener coöperatieve roomboterfabriek in deze gemeente zijn van bevredigende aard. 't Scheen hedenavond op de vergadering van belangstellenden, dat allen overtuigd waren van 't groote belang, dat hier zulk eene inrichting tot stand komt. Na uitlegging van J.M. Koning, die de vergadering leidde, op welke wijze men aan 't noodige geld zou kunnen komen, nl. door eene leening aan te gaan, en de rest door middel van aandeelen te verkrijgen, werd men in de gelegenheid gesteld, tot lid der coöperatieve vereeniging toe te treden, met dit gevolg, dat 44 leden zich aanmeldden, samen de melk leverende van ca. 176 koeien.

Om aan geld te komen werden er bij particulieren 72 aandelen van ƒ200 geplaatst, totaal voor ƒ14.400. De laatste zes aandelen van ƒ200 konden aflosbaar worden gesteld op 1 maart 1910. Voor de leden van de fabriek waren er aandelen à ƒ25. Op de fabriek zelf stond een hypotheek van ƒ6000. De voorbereidingen gingen gestaag verder. Op 31 maart passeerde voor de notaris de akte van oprichting van de vereniging 'Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Hengelo' (CSH). Op 5 april vergaderde deze voor het eerst. De aanwezige deelnemers stemden er voor om met het bereikte aantal van 395 koeien (van 159 leveranciers) te beginnen. Het bestuur kocht een stuk grond voor ƒ1275 van Wansink en Klem op de Fokkingkamp aan de weg naar Hummelo. Na aanbesteding mocht H.J. Mulderije uit Wichmond de fabriek bouwen voor ƒ10.602, waarmee hij op 9 augustus begon. Op 13 oktober meldde De Graafschapbode: De werkzaamheden aan de stoomzuivelfabriek alhier vorderen goed. Het wordt een stevig gebouw met een aantal doelmatig ingerichte, luchtige vertrekken. Men is druk bezig met de bekapping. Ook het vierkante fundament van de schoorsteen is reeds tot de verlangde hoogte opgetrokken. De stoomketel uit de fabriek van Gebr. Stork en Co. te Hengelo Ov. kwam jl. donderdag aan. Het kostte niet weinig moeite om dit gevaarte dat 4000 kg weegt op de plaats zijner bestemming te brengen.

Op 31 oktober was de eerste algemene ledenvergadering bij Langeler. Het concept voor het huishoudelijk reglement werd goedgekeurd. Tot het eerste bestuur werden gekozen: voorzitter A. Enzerink, secretaris-penningmeester T. Harmsen en de leden B. Esselenbroek, J. Elzebroek, J. Heerink, G. Hiddink, A. Hoebink en Th. Meijer. De eerste directeur was de pas 25-jarige Balthasar Charisius uit Drachten. Hij nam zijn intrek in logement Langeler. In de vastgestelde instructie van de directeur stonden zijn taken. Hij moest zoveel mogelijk aan de fabriek aanwezig zijn, in elk geval bij aankomst van de melk. Verder moest hij zorgen voor zindelijkheid, orde en reinheid, voor behoorlijk gedrag van het personeel en dat er geen sterke drank werd gebruikt in de fabriek of op het terrein. Hij verzorgde administratie en correspondentie, uitbetaling van de gelden en regelde de verkoop van producten. Hij moest 3000 gulden (zakelijke zekerheid) contant storten, daarvan genoot hij 4% rente per jaar. Zijn jaarsalaris bedroeg ƒ600. Als extraatje kreeg hij “voor gemis aan boter en melk” ƒ150 per jaar.

 

De opening en het begin

Alle voorbereidingen en de bouw verliepen voorspoedig, zodat op 23 januari 1901 de fabriek feestelijk geopend kon worden. Dezen morgen om 10 uur had de officiële opening der alhier gestichte roomboterfabriek plaats. Zoowel het dorp als de fabriek hadden een feestelijk aanzien. Tegenwoordig waren al de leden van het bestuur en de verschillende genoodigden, die allen hun tevredenheid te kennen gaven over de degelijke inrichting en de keurige machines welke allen in werking waren. Het moet dan ook erkend worden, dat zij zeer practisch en geheel naar de eischen des tijds is ingericht. In de openingsrede, gehouden door den eere-voorzitter J.M. Koning werd dank gebracht aan B.H. Hylkema, zuivelconsulent, voor zijn hulp en steun. Verschillende heeren voerden daarna nog het woord, tot intusschen de chocoladekar was verschenen, aan welks inhoud de aanwezigen zich te goed deden. Daarna keerde ieder, hoogst voldaan, huiswaarts. A.s. vrijdag zal de fabriek in werking te bezichtigen zijn voor de leveranciers en hunne vrouwen.

De eerste directeur hield het al na drie weken voor gezien. Op 11 februari vroeg Charisius eervol ontslag aan. “Wegens familieomstandigheden” verliet hij de gemeente onmiddellijk. Achteraf bleek dat hij in Zeist met zijn aanstaande zwager Errit Brandsma een zuivelfabriek ging beheren. In 1905 trok het gezin naar Zaandam, twee jaar later naar Soest. Ook daar stond hij te boek als zuivelfabrikant. Voor zijn opvolging viel de keus op de nummer twee van de eerder opgemaakte voordracht: Boke van de Burg uit Hijlaard (1875). Hij logeerde eerst bij Langeler, later bij Witte. Boke trouwde met Trijntje Schuurman. Op 9 december 1902 trok het gezin, dat drie kinderen kreeg, in de nieuwe directeurswoning bij de fabriek, gebouwd voor ƒ3407.

Het overige personeel bestond bij de oprichting uit machinist-centrifugist H. Putto, botermaker Frans Besselink, melkweger G. Nijman en ondermelkweger J. Besselink. Daarnaast was de machinist-leerling A. Frederiks in dienst. De komst van de fabriek betekende wel het definitieve einde van de al enige jaren kwijnende botermarkt op het Marktplein. De aanlevering was tot een minimum gekelderd.

 

Melklevering

Melkrijders met karren en wagens haalden de melk bij de boeren op. Naast de fabriek was een overdekte laadvloer op gelijke hoogte met de wagens. De volle bussen werden op de laadvloer gezet. Fabriekspersoneel pakte de bussen over en goten de melk in een groot vat. Elke melkrijder had zijn eigen melkrit, die jaarlijks aanbesteed werd. Van de fabriek nam hij boter, karnemelk en gortepap mee voor de klanten onderweg en thuis. Het was zwaar werk, dag in dag uit, door weer en wind. In de winter kregen de paarden stiften in de hoefijzers tegen het uitglijden. De melk werd naar vetgehalte uitbetaald, eenmaal per maand. Regelmatige controles moesten het vetgehalte op peil houden. Koeien met minder vet in hun melk werden eerder verkocht. Het bestuur vergaderde aan het begin van elke maand om de melkprijs van de afgelopen maand vast te stellen. De afgeroomde melk en karnemelk kregen de leveranciers gratis weer terug. De boter werd verhandeld op de mijn te Zutphen. Het bestuur hamerde steeds op zindelijkheid en hygiëne. Alleen melk van goede kwaliteit leverde goede boter. Melk in vuile bussen werd teruggestuurd; bij herhaling werd het melkleveren van de overtreder gestopt.

De melkritten vormden voor de boeren een welkome aanvulling op hun inkomsten. De aanbesteding van de melkritten werd afgekondigd in de Nieuwe Zutphense Courant. Het loon voor het melkrijden was karig, tussen de 1 en 2 gulden per dag. In 1901 werd begonnen met 8 melkritten voor totaal ƒ9,78, gemiddeld ƒ1,22 per rit per dag. De voorwaarden van aanbesteding van de melkritten regelde o.a. de uitbetaling aan de melkleveranciers. De melkrijder moest hierbij optreden als geldloper en diende het geld in gesloten zakjes aan de leveranciers overhandigen. Pas vanaf 1964 vonden de betalingen via de bank plaats.

Artikel 8 was een soort drankverordening: De melkrijder is verplicht om zijn paard of wagen gedurende de rit heen en terug te voorzien van een luidklinkende bel en hij mag niet langer stilhouden voor café's of koffiehuizen dan noodzakelijk is om de melk op of af te laden, op verbeurte eener boete van ¦1.

De regels waar de melkrijders zich aan moesten houden waren streng. Op elk half uur te late levering aan de fabriek stond een gulden boete. Dezelfde straf riskeerde hij bij dronkenschap en als hij zich zonder toestemming van de directeur verwijderde van de fabriek; dit gold ook voor marktdagen...

De wegen waarover de melkrijders moesten waren ronduit slecht. De sporen die getrokken werden diepten steeds verder uit. De zuivelfabriek had er veel belang bij dat de wegen in goede staat verkeerden. Het bestuur leverde dan ook een bijdrage aan het gemeentebestuur voor onderhoud. Sommige melkrijders spanden een tweede paard voor de wagen, maar de tolbaas eiste dan dubbele tol. De fabriek betaalde maar voor één paard. De zwaarbeladen melkwagens richtten zelf ook schade aan de wegen. Toen de H.E.K. in 1910 met een verzwaarde wegenverordening kwam kregen enkele melkrijders een proces-verbaal.

In 1904 waren er 15 melkritten, samen voor ƒ20,46½ per dag. Drie jaar later 21, waarvoor de melkrijders bedragen tussen 91 cent en ƒ1,75 per dag ontvingen. Het grootste aantal koeien bezat de voorzitter zelf, A. Enzerink, met 10 koeien. Veel leveranciers bezaten 1 of 2 koeien.

 

Perikelen van een boterfabriek

Het is vermakelijk om de notulen van de bestuurs- en ledenvergaderingen door te lezen. Naast de maandelijkse overzichten van hoeveelheden geleverde melk, geproduceerde boter en betaalde opbrengsten regelmatig melding van allerlei dagelijkse probleempjes, onenigheden en bezigheden. De handgeschreven schriftjes waren een afspiegeling van de ontwikkeling van de fabriek en de Hengelose maatschappij in die dagen en krijgt daarom de nodige aandacht. Een heel selecte greep uit de notulen vanaf 1903.

 

De weg langs de fabriek werd bestraat met klinkerstenen en er werd een paardenstal gebouwd.

Het bestuur besloot tot samenwerking met de fabrieken van Eibergen, Steenderen en Borculo. Hierdoor voorkwam men dat de ene fabriek produkten goedkoper zou aanbieden dan de andere. Ook kon men gezamenlijk agenten in het buitenland plaatsen om zich van een betere afzet te verzekeren.

Door de komst van de tramlijn kon de benodigde steenkool goed aangevoerd worden. Per jaar werd er ca. 10.000 kg kolen gestookt, een wagon vol. Het vervoer van tramstation naar bergplaats in de fabriek werd apart aanbesteed. Er was een plan om over en afstand van ca. 100 meter tramrails aan te leggen naar de botermakerij. Dit plan haalde het niet. In plaats daarvan besloot men een schuifkar te laten maken.

 

Erevoorzitter Koning deelde mee, dat de fabriek zich “in spijt van verdachtmakingen en tegenwerking” voortdurend uitbreidde. Hij bood aan om een poging te wagen de titel 'Hofleverancier' te bemachtigen. Hoewel hij besefte dat de titel eigenlijk niets te betekenen had, leek het hem goede reclame, zeker na de 1e prijs van de boter op een tentoonstelling in Doesburg. Koning bedankte later in het jaar als erevoorzitter.

 

Op 2 oktober was er een bestuursvergadering met gevolgen. Kerkhofs stelde de schijnbaar onschuldige vraag aan Van de Burg waar het spoelwater van de boter bleef. Dit was de inleiding tot het ontslag van de directeur. Het leidde namelijk tot insinuaties over de verkoop van producten die aan de leveranciers toekwamen. Van de Burg schoot hierop uit zijn slof en vroeg waar al die lasterpraatjes vandaan kwamen, zoals over het laten wegvloeien van de ondermelk, de veel voorkomende absentie en het late opstaan van de directeur. Voor deze praatjes waren volgens hem volstrekt geen aanleiding. Van de Burg vond dat Kerkhofs maar zelf een paar weken directeur moest zijn om te zien of er dan geen “abuizen” meer plaats vonden. Zo ging de vergadering al ruziënd uit elkaar. Twee weken later diende Boke van de Burg zijn ontslag in. Hij werd directeur van een zuivelfabriek in Apeldoorn. In 1931 ging het gezin naar Leiden, waar Boke in 1959 overleed.

De ledenvergaderingen waren voortaan in de nieuwe grote zaal van Kremer. Voorzitter Enzerink ging tijdens een bestuursvergadering even naar Kremer om dit te regelen en kwam tevreden terug. G. Kremer stond de zaal kosteloos af. Wat een heerlijke tijden zonder telefoon.

De instructie van de directeur werd zodanig gewijzigd dat hem voortaan verboden werd enige handel te drijven buiten de belangen van de fabriek. Het gedrag van de vertrekkende directeur was hiervoor de aanleiding; hij had toch wat zitten rommelen.

Er waren vier kandidaten voor de functie van directeur: A. Hento uit Staphorst, J. Knol uit IJlhorst bij Staphorst, V. Postma uit Hijlaard en J.G. Klijnstra uit Rozenbrug. Enzerink deed in de ledenvergadering een poging om de stukken van alle vier voor te lezen, maar de leden onderbraken hem telkens. Het was allen direct duidelijk dat Hento de aangewezen persoon was. “Schei toch uit”, riepen de leden. Dat bleek ook uit de stemming, waarbij Arend Hento 135 van de 142 stemmen kreeg.

In december bedankte voorzitter Enzerink als bestuurslid. Hij had gemerkt dat de nieuwe directeur geen voorzitter nodig had. Hij voelde zich gepasseerd, maar wilde er geen drukte over maken en trok zich terug.

 

Willem Kerkhofs werd tot nieuwe voorzitter gekozen. Misschien vanwege zijn rol rond het vertrek van Van de Burg. Hij was in ieder geval een figuur die zijn mond open durfde te trekken.

Twee leveranciers hadden klachten over melkrijder Brekveld. Hij reed op ongeregelde tijden. Ze wilden eigenlijk niet klagen, omdat ze bang waren dat Brekveld zich zou wreken door hun bussen te beschadigen of de melk te laten staan. Een beschadigd exemplaar was als bewijs aanwezig. Deze bus werd op kosten van Brekveld gerepareerd. Tevens kreeg hij een boete van 50 cent.

De boter kreeg in mei een gouden medaille en erekruis op de Internationale Tentoonstelling in Antwerpen. Het personeel kreeg hiervoor een gratificatie. Tien gulden voor botermaker Frans Besselink, de helft voor de anderen. Besselink bleek een heel goede botermaker te zijn. Hij maakte de boter van een dusdanige kwaliteit dat het vele malen in de prijzen viel. Dat deed hij op ambachtelijke wijze, met de boterspaan dus. Hij oefende tot 1928 deze functie uit, maar bleef tot 1939 als volontair aan de fabriek verbonden.

 

Hento diende zijn ontslag in. Hij vond dat er te veel ruzie was tijdens de vergaderingen. De bestuursleden betreurden zijn besluit en vroegen hem dit terug te nemen. Hento zou erover nadenken. Op een buitengewone ledenvergadering op 25 oktober bleek dat er meer achter zat. Als reden gaf Hento op, dat hij een kaasfabriek te Leek (Gr.) had gekocht. Er waren geruchten dat dit niet de enige reden was. H.J. Lenselink wilde weten hoe het kwam dat al de derde directeur weg wilde. In Steenderen, Vorden en Ruurlo wilden ze wel blijven. Dan moest er iets aan mankeren. Voorzitter Kerkhofs zei het niet te weten. Langeler keurde het af dat Hento, die toch een goed salaris had, kaashandel bedreef in de tijd die hij aan de fabriek moest besteden. Kerkhofs en Takkenkamp sloten zich hierbij aan. Kerkhofs en Elzebroek verklaarden dat hij het personeel niet de baas was, de boterfabriek leek wel een kaashandel, kortom, het was een “herrie” op de fabriek.

Kerkhofs klaagde dat Hento geen verlof aan hem vroeg en dat hij niet goed ondergeschikt kon zijn. Verder dat hij op tijd aanwezig moest zijn bij het in ontvangst nemen van de melk. Het personeel moest op de kippen letten en toch was het slot van het kippenhok gebroken en eieren gestolen. Ook enkele melkrijders hadden onenigheid met hem gehad, ze moesten teveel op de melkwagen meenemen. Hento had een leerjongen uit Vorden aangenomen zonder eerst het bestuur in te lichten. Daarover had Kerkhofs hem in de bestuursvergadering aangevallen. En zo borrelde een flinke beerput op.

Lenselink deed een goed woordje voor de directeur. Iedereen had hem destijds veruit de beste kandidaat gevonden. Onder hem marcheerde de fabriek uitstekend. In binnen- en buitenland veroverde de boter prijzen. De vereniging telde steeds meer leden, leveranciers en koeien. De winsten stegen navenant.

Uiteindelijk stelde het bestuur voor Hento 30 gulden salarisverhoging te geven als hij zijn ontslag introk. Hierover werd gestemd, waarop 192 stemmen voor Hento's aanblijven stemden en slechts 4 tegen. Massale steun voor de directeur dus, die dan ook direct verklaarde te zullen blijven.

Machinist De Vries werd ontslagen. Hij stond al een poos ter discussie, omdat hij personeel en bestuursleden zou opruien.

 

De rust leek weergekeerd, maar dat bleek schijn. Op 14 maart kreeg Kerkhofs weer mot met de directeur. Centrifugist Besselink vertrok, waarna Kerkhofs voorstelde om het personeel door te schuiven, maar Hento was hier tegen. De fabriek zou door ondeskundigheid 50 gulden per dag schade lijden. Kerkhofs reageerde furieus en eiste een stemming. Vijf bestuursleden stemden voor, maar trokken zich later terug, waarop Kerkhofs zonder afscheid te nemen uit de vergadering liep.

Bij de volgende bestuursvergadering vroeg Esselenbroek om eerst te overleggen of er fatsoenlijk met elkaar gesproken kon worden. De anderen konden zich hiermee verenigen, maar Elzebroek gooide olie op het vuur door enkele oude zaken op te rakelen. Waarop de anderen vonden dat zo'n verdeeldheid niet langer kon. Na stemming werd unaniem besloten dat het hele bestuur opstapte.

Op 27 maart vond een gedenkwaardige ledenvergadering hierover plaats. Een uiterst rumoerige avond, waarover in Hengelo lang gepraat zal zijn: In de vergadering van de leden der CSH gisteravond gehouden waren 287 stemmen vertegenwoordigd. De oorzaak dezer ongewoon groote opkomst lag hierin, dat er een nieuw bestuur moest verkozen worden. De vorige week hadden allen ontslag genomen. Na opening en lezing der notulen deelt de voorzitter mede de agenda te wijzigen en eerst de bestuursverkiezingen af te handelen. Voor de stemming wenschte iemand te vernemen wat de oorzaak van het bedanken was. Esselenbroek antwoordde: "Het afgetreden bestuur had voortdurend onenigheid. Nauwelijks is een bestuursvergadering geopend of de herrie begint. Niet al zijn medeleden waren even slim, maar er schuilden er onder, met wie totaal niet viel samen te werken". "Ben ik dan een van de slimsten?" vroeg T. Harmsen scherp. Esselenbroek: "Ik noem geen namen", doch bevestigde zijn mededeeling door te zeggen: "Zie vergadering, zo gaat het altijd". De uitslag van het nieuw gekozen bestuur: B. Esselenbroek, E.J. Olthof, B. Brunsveld, A. Enzerink (voorzitter), D.J. Harmsen (Veerman), J. Walgemoed (secretaris), M. Harmsen (Stenderink), B. Overkamp en J.J. Elzebroek. De eerste drie zijn van het oude bestuur.

 

Op 21 december leidde Koning de ledenvergadering. Er waren twijfels over de betrouwbaarheid van Hento. Uit een briefwisseling in april 1909 tussen burgemeester Knottenbelt en zijn ambtgenoot in Vledder bleek dat deze inlichtingen had gevraagd over Hento naar aanleiding van een sollicitatie aldaar. Knottenbelt schreef dat de directeur ¦1300 per jaar verdiende na ¦200 aftrek voor levenson­derhoud. Hij voegde er aan toe: “Aan zijne betrouwbaarheid moet worden getwijfeld. Wij geven U in overwe­ging hem niet als borg aan te nemen". Knottenbelt had blijkbaar inlichtingen ingewonnen bij enige vijanden van Hento. Die onder de opgestapte bestuursleden makkelijk te vinden waren. In ieder geval kon Hento Vledder wel vergeten.

Het bestuur stelde wijzigingen voor in de instructie voor de directeur:

1. contracten met afnemers van boter moesten getekend worden door voorzitter en secretaris.

2. geen gebruik van alcoholhoudende drank in het fabrieksgebouw.

3. hij mocht zich in functie niet bemoeien met politiek of godsdienst.

4. hij moest maandelijks een maandstaatje inleveren.

Hento’s handelingen werden daarmee nauwlettend gevolgd en aan banden gelegd. Hij protesteerde heftig, waarop Koning plotseling het onderwerp afkapte.

 

Er werd afkeuring uitgesproken over het gedrag van assistent-directeur Winia. Hij was op 24 december om half twaalf zonder toestemming vertrokken en op oudejaarsavond al om half vijf.. Verder had hij geweigerd op Hento's bevel het fabrieksterrein te verlaten. Naar aanleiding van zijn wangedrag en brutaal optreden was hij geschorst. Enzerink had nog bij de politie geïnformeerd en die oordeelde: “Maak dat die kerel zoo spoedig mogelijk weg komt, want het is een gevaarlijk sujet”. Het bestuur wilde hem per 26 februari ontslaan. Maar zo gemakkelijk kwam het bestuur er niet af. Ze kregen een brief met handtekeningen van 67 leden die een buitengewone ledenvergadering wilden om een grondig onderzoek in te stellen. Deze werd vastgesteld op 15 februari, maar eerst ontdekten ze nog een foutje. Het bestuur was vergeten op de vergadering van 15 januari een voorzitter te kiezen. Het besluit tot ontslag was dus in feite ongeldig. Toen dit bleek ontstond een komische situatie. Winia moest verschijnen en verklaren of hij het eens was met zijn eerste brief tot ontslag of dat er een tweede moest komen met dezelfde inhoud en twee getuigen. Winia nam genoegen met de eerste brief...

Enzerink (teruggekeerd als voorzitter) verklaarde dat Winia loog en belasterde, waarna hij ter verantwoording was geroepen en door de mand viel. Ondanks een berisping had hij zijn leven niet gebeterd en was hij ontslagen. De feitelijke redenen voor het ontslag werden niet gegeven, hoewel dit wel beloofd was. Advocaat mr. Dijstra wilde geen opening van zaken geven. Takkenkamp en Elze­broek protesteerden, waarna onverwachts de vergadering werd gesloten. Onder groot rumoer ging de vergadering uiteen.

Hento reclameerde op zijn belastingaanslag. Knottenbelt was daar bijzonder boos over. Volgens Hento’s opgave zou hij maar een gering inkomen hebben. Maar het was bekend dat hij in Friesland een kaasfabriek exploiteerde. Knottenbelt verklaarde in de raadsvergadering: “Hij staat hier niet hoog aangeschreven, betrouwbaar zouden wij hem niet gaarne zonder voorbehoud verklaren”.

De fabriek kreeg aansluiting aan de telefoon.

 

Er was mond- en klauwzeer uitgebroken in Hengelo. Enkele leveranciers wilden hun melk van ziek vee toch leveren. Dit werd na stemming afgewezen, je moet er niet aan denken dat zo'n stemming anders uitvalt.

Zieke Hengeloërs kregen gratis karnemelk, maar sommigen maakten misbruik van dit voorrecht. Daarom moesten zieken voortaan elke week een nieuw schriftelijk bewijs van de dokter tonen. Personen die geen leverancier waren moesten 5 cent per liter betalen.

Ondermelkweger Arend Groot Roessink had een bedrijfsongevalletje gehad. Hij had zich met een roestige spijker door een vinger gestoken. Hiervan was aangifte gedaan bij de Rijksverzekeringsbank. Later stuurde de Centrale Werkgevers Risicobank bericht dat hij 70% van zijn loon vergoed kreeg. Dat was ƒ1,03½ per dag. De fabriek vulde dit aan met zijn weekloon wegens de geleden pijn.

Nieuwe burgemeester, nieuwe wetten. Kreeg het personeel bij Meyjes ontheffing van de oefeningen met de brandspuit, Knottenbelt kende geen pardon: opdraven. Wel beloofde men rekening te houden met de werkuren. Het bestuur besloot het personeel niet tijdens het verwerken van de melk te laten vertrekken.

 

De paardenstallen moesten gerenoveerd worden. Kosten negentig gulden, zo berekende de vaste aannemer/timmerman Leemreis. Het overzolderen van de gehele stal kwam op honderd gulden.

Het personeel kreeg salarisverhoging: J. Bieleveld naar ƒ9,50 per week; F. Besselink en G. Nijman ƒ10; H. Bentum en A. Groot Roessink ƒ8,50; B. Smeenk ƒ4. Kuiper B. Maalderink kreeg voortaan 16 cent voor derde vaten en 13 cent voor zesde vaten. Zijn uurloon ging naar 15 cent.

Melkrijders Kelholt en Verhey gingen met twee wagens door de tol. Ze kregen het halve tolgeld terug.

B&W zouden bij brandoefeningen rekening houden met de werkuren, maar op 8 juni hadden de machinist en botermaker toch moeten komen. Een uur vrijstelling wegens het moeten verwerken van de melk werd ook na herhaald verzoek geweigerd. Het bestuur besloot het personeel niet te laten gaan, aangezien de fabriek niet stopgezet kon worden.

Er waren klachten over stank van de Laak naast de boterfabriek. Hierin vloeide het afvalwater van de fabriek. Dit was ernstig verontreinigd. Naast de stank ondervond ook het grazende vee in naburige weiden mogelijk nadelige gevolgen. Dr. Bardet van de Gezondheidscommissie bracht een bezoek voor inspectie.

B&W wilde de vereniging verplichten een septic tank te kopen of een vloeiweide direct achter de fabriek aan te laten leggen. Voor bezwaren kon het bestuur zich op 16 november op het gemeentehuis vervoegen. Een commissie zou alle buren bezoeken en laten tekenen dat ze geen bezwaar hadden tegen lozing van afvalwater in de Laak! Alle personen tekenden, waarna de commissie op het afgesproken tijdstip naar het gemeentehuis trok. De verbazing was groot toen bleek dat er geen lid van B&W aanwezig was. Wel kreeg het bestuur een brief van B&W waarin ze de fabriek verplichtten voor 1 juni 1913 een septic tank te hebben. Het bestuur vond de aanschaf echter te kostbaar. Ze stelden voor putten aan te brengen, die de vette bestand­delen tegen­hielden. Dit was veel goedkoper en de inhoud kon worden opgepompt en verkocht als varkensvoer. De vraag was of de Hoofdinspecteur van de Arbeid zich hier mee kon verenigen.

Hento maakte het bestuur opmerkzaam op het aangrenzende perceel van de overleden Hofs dat te koop kwam. Het was een optie voor de vloeiweide.

De Dorschvereniging had verzocht een gebouw te mogen plaatsen op grond van de fabriek. Zij betaalden hiervoor twee kwartjes huur per jaar en moesten het gebouw netjes onderhouden. Ze kregen een plek aangewezen achter de heg aan de Laak.

Het voorstel om karnemelk aan particulieren te verkopen werd met 134 tegen 18 stemmen verworpen.

 

In het jaarverslag van de Gezondheidscommissie, die zetelde in Stad-Doetinchem, kwam de kwestie over het afvalwater weer aan de orde: Bij langdurige droogte verspreidde het veront­reinigde water een zeer onaangename lucht. Bij onderzoek bleek dat de 30.000 liter spoelwater, benevens het menage-water der directeurs-woning in de Laak vloeide, zoodat het niet te verwonderen was, dat ondanks de bij de fabriek bestaande zinkputjes, de omgeving last van de verontreinigde Laak had. Het advies aan het bestuur van de CSH was om een septic tank aan te schaffen, òf liefst in overleg met de Heide Maatschappij een vloeiterrein aan te leggen.

Bij besluit van 2 december legde B&W de CSH voorwaarden op tot het aanleggen van een septic tank. In een volgend jaarverslag zullen wij zien, dat op dit besluit is teruggekomen en hoe 'fraai' aan deze voorwaarden is voldaan. Een andere afdoende wijze om stank te voorkomen is niet mogelijk en altijd een lapmiddel. Het is te hopen dat B&W nogmaals krachtige druk zal uitoefenen.

Het bestuur besloot “om toch eindelijk eens een eind te maken aan het vervoeren door melkrijders van meel, of het doen van boodschappen of het ophouden in café's in het dorp”. De bestuursleden gingen streng controleren. Geconstateerde overtredingen zouden direct de volgende morgen gemeld worden, waarna een boete volgde.

De fabriek bestond 12½ jaar. In het begin werd van 400 koeien de melk verwerkt. De 48.813 kg boter bracht in 1901 ƒ57.835,94½ op. In 1913 was er van 1462 koeien (525 leveranciers) een produktie van 160.296 kg boter met een opbrengst van ƒ217.656,68.

 

Er waren vaak klachten van melkrijders en leveranciers over het opladen en vervoeren van melk. Enkele voorbeelden:

* Th. Verhey wilde de melk van Meenink niet aan huis afhalen, want dit zat niet bij de aanbesteding. Hij wilde en kreeg hiervoor een vergoeding van 6 cent per dag.

* Langwerden wilde niet met de melkwagen over 't Regelink rijden en liet de melk van Hissink daarom staan. Hissink kreeg 10 cent per dag om de melk naar de grintweg te brengen.

* Regelink uit Delden wilde niet met zijn melkwagen over de slechte weg bij Krijt in Wichmond. Olthof en Hummelink hadden inmiddels de weg laten verbeteren.

* B. Weevers wilde de melk niet bij Camperman ophalen, omdat dit een omweg was. Camperman moest de melk voortaan naar de weg brengen.

En zo waren er tal van problemen. De ene leverancier wilde de melk niet naar de weg brengen, de andere melkrijder wilde de melk niet aan huis ophalen omdat het een omweg was. Het bestuur moest dan een beslissing nemen, maar altijd was een partij ontevreden.

Enzerink meldde dat de zuivelfabriek in Zelhem de veearts Reichman wilde wegkapen. Om dit te voorkomen stelde het bestuur voor dat alle leveranciers van Hengelo eens per jaar 30 cent van de melkrekening aftrokken. Voor dit bedrag kon Reichman dan benoemd worden op een door het bestuur vastgestelde instructie om hem te belasten met het toezicht op vee, ziekten en stallen. Uiteraard namen de leden dit voorstel aan en kon Reichman behouden blijven voor de gemeente. Hij trad per 1 april in dienst.

Toen de Eerste Wereldoorlog in augustus uitbrak ondervond de fabriek door de mobilisatie direct de gevolgen. Veel personeel was opgeroepen. Uitbetaling kon niet plaatsvinden, aangezien de banken de betalingen hadden gestaakt en geen Duits geld gewisseld kon worden.

Vanwege de moeilijkheden waren er op 8 en 13 augustus extra vergaderingen. Zilvergeld was er niet meer, alleen maar papiergeld en dat betekende steeds wisselen met de leveranciers. Voorlopig besloot men ondanks de kritieke situatie door te werken. Het dagelijkse leven was een chaos, de geldhandel lag geheel stil, vervoer per trein of boot was niet meer mogelijk. Enige zendingen boter werden met paard en wagen over de grens gebracht. Vanwege het zeer onregelmatige personenvervoer huurde de vereniging een motorrijwiel voor Hento. Hierdoor kon hij toch klanten bereiken en boter aan de man brengen.

Nederland wierp zich niet zelf in de strijd, maar dat alle naburige landen in oorlog waren had toch zijn gevolgen. De handel stortte in elkaar. De fabriek draaide wel door, maar met veel strubbelingen. In augustus 1914 waren verschillende leveranciers met de melklevering gestopt. Een maand later waren de meesten van de schrik bekomen en leverden weer.

 

De zuivelfabriek ondervond veel hinder van de economische gevolgen van de oorlog. Zo was er een groot gebrek aan steenkolen, een belemmering van de boterhandel door maximumprijzen en de lage koers van de mark (42 cent). Toch was 1915 niet dramatisch: er werd minder melk geleverd, maar ¦33.118 meer verdiend

Met het oog op de heersende mond- en klauwzeer werden de bussen ontsmet in kokend water en melkrijders schorten verstrekt bij het uitgieten van de melk en ontsmetten van de wagens.

In 1915 werd het laboratorium verbouwd (en geen nieuwbouw zoals in het boek ‘Nijver in het groen’ staat vermeld). Alle leveranciers kregen bij hun geldzakje een bericht van aanbeste­ding, zodat de vaklui zich konden inschrijven. Veel leden combineerden kennelijk de landarbeid met een ambacht. H. Zilvold was met ƒ644 de laagste inschrijver.

Een beslissing in de bestuursvergadering van 2 maart werd uitgesteld, omdat Elzebroek en Esselenbroek, beiden boeren uit de Noordink, met de laatste tram mee moesten!

Hento verklaarde dat er groot risico aan handel met Duitsland vast zat, aangezien verschillende afnemers onder de wapenen waren geroepen en de vrouwen de zaken waar zouden nemen! Dit kon wel eens verkeerd aflopen, vond hij. Het bestuur was van oordeel voorzichtig te zijn, maar toch met de handel door te gaan.

De Duitse regering stelde in november maximumprijzen vast. Rechtstreeks uitvoeren was niet meer mogelijk. Hento probeerde om de boter toch tegen een zo hoog mogelijke prijs aan de Duitse afnemers te verkopen. Hij ging zelf over de grens om dit te bespreken.

 

Oorlog of niet, de fabriek breidde zich verder uit. Door een verbouwing van centrifugelokaal, machinekamer en ketelhuis werd het ca. 170 m² groter. Tevens kocht de fabriek een gelijkstroommachine, een stoompomp en een ondermelkpasteur. Hierdoor kon aan de verplichte pasteurisatie voldaan worden. De aanbesteding was op 2 maart in het café van Leemreis. De laagste van de 15 inschrijvingen was J.H. ten Elze uit Zutphen met ¦7491.

Er kwam een schrijven van de regering over melkvoorziening voor de grote steden. De fabriek moest 1500 liter leveren in Zutphen. Daar werd het samen met ‘regeringsmelk’ van andere fabrieken geladen. Het bestuur sprak over de “onbillijkheid” hiervan, maar er was niets tegen te doen.

Een verslag uit de rechtszaal van 28 september - Gerard Bannink, 42 jaar, landbouwer en melkrijder te Hengelo, heeft op 18 Augustus den 62-jarigen melkrijder G. Wisselink gestompt. Er kwam ruzie door de begeerte van beiden om het eerst vóór de fabriek te komen. En toen nu Wisselink het eerste vóór was, kreeg hij een bloedneus door de stompen van beklaagde. Deze zegt dat hij Wisselink alleen terugduwde en dat hij toen gevallen is. Eisch: ƒ10 of 10 dagen.

 

Tijdens de Koldemarkt zou de fabriek de gehele dag stopgezet worden, al protesteerde Hento; de streng gereformeerde directeur was fel tegen alles wat met drank te maken had.

Er werd besloten nog een extra voorraad kolen te kopen wegens de dreigende kolennood. Op het verbruik van de machines werd nauw gelet.

Het salaris van de directeur werd geregeld naar het percentage van de inkomsten. Hento stelde voor om hem voortaan een bedrag van alle inkomsten boven de 160.000 gulden te geven met een maximum van 350 gulden. Na stemming werd het voorstel goedgekeurd.

 

Hento vond dat de nieuwe regeling al over 1916 betaald moest worden. Het ging over een percentage van een afgesloten boekjaar. In de ledenvergadering was men er vanuit gegaan dat het per 1917 in zou gaan. Hento had al advies ingewonnen bij advocaat, de bond en Nienhuis, de directeur van de Vordense fabriek. Het bestuur voelde zich bedrogen. De partijen staan thans tegenover elkaar, er werd nog iets over nagepraat, men dronk een glas, en liet de zaak zooals het was. Prachtige tijden...

Enzerink en Hento waren met Nienhuis en Tjoonk van Vorden naar Drenthe gereisd om turf te kopen. De loods van de Boerenbond kon dienen als bewaarplaats; deze stond toch leeg. Om met zo weinig mogelijk steenkolen de fabriek draaiende te kunnen houden, mengde men de turf door de kolen.

Frans Besselink had gevraagd of hij halve dagen vrij mocht hebben, omdat zijn zwager ging houtzagen en hij dan thuis kon werken. Dit werd afgewezen. Ten eerste was er werk genoeg bij de fabriek, ten tweede: wat zouden de leden zeggen van zo'n manier van werken door het bestuur?

De nood was hoog. Om de fabriek draaiende te houden werd geprobeerd extra steenkolen te krijgen en om de dag te werken. Op dagen dat wel gewerkt werd, begon men een half uur later, om de leveranciers in de gelegenheid te stellen bij daglicht te kunnen melken en zodoende petroleum uit te sparen.

Na een inbraak werd besloten een goede hond voor de fabriek aan te kopen! Omdat hondenvoer niet te krijgen was, werd hij gevoerd met paardenvlees, melk en andere voerartikelen die te krijgen waren.

 

Hento wilde aan schoolkinderen en zieken met een doktersbewijs melk verstrekken voor 17 cent per liter. De Zutphense Courant op 3 februari: Konden we onlangs met ingenomenheid melden dat de directeur der boterfabriek bereid was, melk te verschaffen aan de openbare scholen, ten behoeve van de 's middags overblijvenden, thans heeft het bestuur der fabriek besloten dat hieraan oogenblikkelijk een eind moest komen. "Wel mogelijk" zeggen we, doch was daar door 't bestuur niet iets door de vingers te zien? Hoeveel melk wordt er thans niet geleverd aan 't Rijk, wat immers evenzeer met de statuten in strijd is, maar waaraan niet te ontkomen is? Komt heeren! Weest humaan, en komt om der wil der kinderen op Uw besluit terug.

De leden besloten om melk aan de burgers te verkopen door met een kar te gaan venten. De zomer kwam eraan en dan was er voor particulier gebruik voldoen­de melk om het hele dorp te voorzien. Voor de exploitatie moest een kar gekocht worden. De eerste melkboer in het dorp was Jan Oortgiesen. Jan kreeg passende kleren en pet. Zijn loon was vastgesteld op 4 gulden per week. Hij begon in mei met zijn rondes: Krachtens besluit van de laatstgehouden ledenvergadering heeft de CSH thans een begin gemaakt met het slijten van melk aan de burgerij. Het frisch geschilderde karretje, met z'n blinkende koperen melkbussen en daarbij de venter in z'n helder nieuw pakje zijn iets nieuws voor ons dorp, maar tevens voor de ingezetenen een groot gemak. Hopen we, dat de proefneming het bestuur zoodanig moge bevallen, dat Jan Oortgiesen 's morgens een blijven­de verschijning wordt.

De venterij verliep niet helemaal vlekkeloos. Het nam veel meer tijd in beslag dan oorspronkelijk werd verwacht.

Verkoop van karnemelk op de kar mocht alleen op bewijs van de dokter. Dr. Meinders wilde niet elke week een bewijs voor karnemelk af te geven, maar gaf liever doorlopende bewijzen af.

De winkeliers Wansink en Scholten schreven naar Den Haag om ook een gedeelte van de kleinverkoop te krijgen, kennelijk was het lucratief. Hento protesteerde, aangezien deze kleinhandel een extra winst voor de fabriek opleverde van zo'n ¦240 per week (waarvan dus 4 gulden voor de venter!). Het was niet tegen te houden; de distributie was ook zwaar voor winkeliers. Voorlopig werd er maar in berust.

Rodermond had een overtreding geconstateerd bij G.J. Steenblik. In plaats van de melk te leveren aan Wolters had hij het geleverd aan de Vordense fabriek. Het bestuur wilde met kracht tegen Steenblik optreden, aangezien hij ook nog moeite had gedaan om Kramp, een nieuwe leverancier, aan te bieden melk mee te nemen naar Vorden. Olthof en Hento deden nog een poging om de zaak in den minne te schikken door hem te manen alsnog de melk te leveren, maar zonder resultaat. Hij kreeg een boete van 25 gulden.

De fabriek kon geen gebruik meer maken van petroleum. Noodgedwongen keek men uit naar de kosten van een electrische installatie. Een ruwe schatting lag rond de 3000 gulden. Later werd een kleine installatie voordelig aangeboden door een leraar aan de ambachtsschool in Zutphen voor 850 gulden.

Assistent Huisma bleek ernstig ziek. Hij had tuberculose en het zou nog lang duren voor hij was hersteld. Het personeel had bij ziekte recht op twee weken vol salaris, vier weken 3/4 van het loon en de daaropvolgende zes weken het halve weekloon. Na enige maanden vond het bestuur dat Huisma wel weer hele dagen kon werken, anders moest het salaris maar tot de helft verminderen.

Het personeel vroeg weer om salarisverhoging. Het bestuur vond echter dat het personeel de belangen van de fabriek niet voldoende voorstond. Afgelopen winter was er onvoldoende hout gekloofd en bovendien was er de schaarse melkaanvoer, waardoor er minder inkomsten waren. Het feest ging dus niet door. De melkaanvoer van diverse ritten was zeer gering.

Notaris Koning vierde op 18 oktober zijn 25-jarig ambtsjubileum. Elk bestuurslid tekende voor vijf gulden op de lijst die door de gemeente circuleerde.

De oorlog eindigde op 11 november, maar het was nog lang niet het einde van de (economische) problemen.

 

De verkoop van karnemelk in het dorp nam toe. Het bestuur besloot hoogstens twee liter per week voor een gezin beschikbaar te stellen. Jan Oortgiesen kreeg ontslag als melkventer, aangezien hij had geweigerd om melk naar K. Kuipers te brengen. In zijn plaats kwam Frits Wansink voor 6 gulden per week. Hento stelde nog voor, aangezien de melkventerij zoveel verdriet en ellende veroorzaakte (!), dit over te dragen aan de gemeente. In april vroeg Frits Wansink ontslag aan als melkventer. Jan Oortgiesen had verzocht de functie weer te mogen vervullen. Hij toonde berouw over zijn gedrag van vroeger. Hij verklaarde in de verleiding te zijn gebracht door Huisma.

H. Lubbers stelde zijn zaal Concordia voortaan ter beschikking voor het houden van vergaderingen. Het personeel kreeg ditmaal wel meer salaris, omdat ook naburige fabrieken een hoger loon betaalden.

 

Botersmokkel (Herrie inde boterfabriek)

Een fantastisch verhaal is de 'botersmokkel' van 1919. Een uitvloeisel van de gedaalde normen en waarden als gevolg van de oorlog. Men nam het niet zo nauw met de regels, om maar aan geld en voedsel te komen. Een bekend verschijnsel in en vlak na oorlogen. Op 18 februari kwam het balletje aan het rollen. Hento had van Enzerink gehoord, dat er stiekem boter was vervoerd. Het was in het centrifugelokaal onder de jas naar de melkwagens gebracht. Hento kwam na onderzoek tot de ontdekking dat in de wagen van Wicherink 5 kg boter lag, die niet op het kantoor waren gekocht en betaald. De melkrijder wilde niet zeggen hoe hij aan de boter was gekomen en voor wie het bestemd was. Na verhoor door de veldwachters Schuurman en Wisselink bleef de melkrijder bij zijn weigering, waarna hij ‘onder de toren’ werd gebracht. Centrifugist Kerkkamp verklaarde dat hij de boter in het kistje had gebracht en voor hem bestemd was en dat hij aan Willem Sarink een bedrag had gegeven. Wicherink werd na deze verklaring weer vrijgelaten. Getuigen verklaarden meermalen gezien te hebben dat Huisma met Kerkkamp aan het 'geldwisselen' was. De veldwachters vonden dat Huisma het meeste schuldig was. Hij had de knoeierijen in de hand gewerkt door het goed te vinden dat boter werd weggedragen zonder een bewijs van afgifte. Zonder zijn medewerking had het personeel nooit boter weg kunnen moffelen. Voor Huisma werd direct een concept-ontslag opgemaakt. Men had wel medelijden met hem wegens zijn ziekte. Daarom kreeg hij eervol ontslag met zes weken loon. Het personeel kreeg een berisping, ze werden gewezen op de ernst van hun daden. Het bestuur wilde de controle verscherpen en vertrouwde erop dat personeel niet opnieuw aan onregelmatigheden te buiten ging. Tot dusverre leek de zaak mee te vallen.

Op 14 maart een extra ledenvergadering op verzoek van 99 leden. Het bleek dat er wel meer boter op illegale wijze uit de fabriek verdween en verscheidene leden gaven hun afkeuring hierover te kennen. Maar ook de directeur kreeg verwijten naar het hoofd geslingerd. Men stelde voor om de boeken in beslag te nemen en te laten onderzoeken en de directeur te ontslaan. Hierna werd besloten een commissie te benoemen om een onderzoek in te stellen. Deze bestond uit Hylkema en de directeuren van de fabrieken in Vorden en Steenderen: J. Nienhuis en J. Jaarsma. Het bestuur vond dat het verslag in de Zutphense Courant over de vergadering van 14 maart vol leugens stond en stuurde een brief, waarop de redactie van de krant weer reageerde: Onzen correspondent schrijft: “Hento zelf blijkt den melkrijder te hebben betrapt, maar er wordt niet ontkend dat een der bestuursleden hem er zoo herhaaldelijk op wees, dat er eindelijk wel eens iemand moest betrapt worden. We zullen eens rustig afwachten de resultaten van het nader onderzoek door de in te stellen commissie en als dan blijkt, hoe lang praktijken, als deze ongestraft konden plaats hebben, dan lijkt ons dat 'woord van lof' aan den directeur, die toch dagelijks toezicht houdt en weet wat er in de fabriek omgaat, niet bijzonder op zijn plaats. "Ook de politie ontvangt lof". Dan is die toch zeker ook bijzonder actief geweest, want voor de arrestatie van een melkrijder steekt men een agent toch geen pluim op z’n hoed. Het bevreemdt onzen correspondent dat het schrijven onderteekend is door het geheele bestuur, want er is veel aan de fabriek, waarover de leden zich misnoegd toonen, wat bleek op de laatste vergadering en naar onze correspondent van een bestuurslid hoorde, op nagenoeg elke bestuursvergadering.

Op 26 april overhandigde de onderzoekscommissie het rapport aan het bestuur. Het bestuur stelde voor het gehele personeel te handhaven met een jaar proeftijd. Intussen was Auke Huisma aan zijn ziekte overleden. Enzerink wilde bedanken als voorzitter, maar alle leden drongen aan hieraan geen gevolg te geven.

In de Zutphense Courant van 29 mei een samenvatting van de gebeurtenissen met enige achtergrondinformatie: Thans is in druk verschenen en aan de leden toegezonden het rapport van de commissie van onderzoek inzake de ongewenschte toestanden aan de zuivelfabriek. Het rapport begint met de uiteenzetting van den clandestiene boterverkoop, zooals die vroeger geregeld was en hoe het later geschiedde, toen de regeeringsmaatregel kwam, dat de melkleveranciers 0.5 kg boter per week extra mochten ontvangen. Dat maakte voor al de leden een hoeveelheid van 287 kg ‘vrije boter’ per week uit. De commissie komt dan tot de conclusie, dat bij deze nieuwe regeling van de kleinverkoop het heel gemakkelijk voor het personeel was, zich van boter te voorzien, omdat er geen aanteekening van gehouden werd, waar de vrije boter heenging, wat voor een goede naleving van de betreffende regeeringsmaatregelen noodig was geweest. Het blijkt de commissie, dat een vrij uitgebreide smokkelhandel in de vrije boter heeft bestaan, wat mogelijk is geworden door de boter, welke het personeel ‘versmokkelde’. Verder wordt hiervan gezegd, dat dit bedrijf op geheimzinnige manier moest worden uitgeoefend, want wanneer het ontdekt werd, zouden hieruit zeer onaangename gevolgen voor de fabriek voortkomen. Het eerste gedeelte van het rapport eindigt met de volgende verklaringen: dat 6 leden van het personeel zich aan smokkelhandel schuldig maakten, dat een behoorlijke controle van de zijde van de directeur niet werd toegepast en dat noch de directeur, noch de 6 leden vrijuit gaan. Daarna worden mededeelingen gedaan omtrent de schorsing van de botermaker en het ontslag van den assistent. De commissie pleit allereerst verzachtende omstandigheden voor de botermaker, en wel “omdat er aan de fabriek een opgewonden stemming heerschte, en de botermaker meende beschuldigd te worden van diefstal, welke gedachte versterkt werd door ingestelde controle. Hij wenschte daarom volledige controle ook voor het afwegen van kleinverkoop. Deze werd hem niet verzekerd door den beambte, hiermee tijdelijk belast, die hierbij eenigszins prikkelend tegen den botermaker optrad, met het gevolg dat de botermaker zijn werk in den steek liet.

In de ledenvergadering van 5 juni werd het rapport besproken. J. Klein Mentink had kritiek op het rapport. Hij vond dat het personeel in deze gevallen de heler was, de directeur de steler. Hento liet daarop direct proces-verbaal opmaken door de naast hem staande veldwachters. Na dit incident stelde Klein Mentink voor opnieuw een algemene vergadering uit te schrijven met op de agenda: ontslag van directeur, bestuur en personeel. De vergadering was soms meermalen heftig, soms vermakelijk doch waar het doorloopend toeging als op een Poolsche landdag vanouds.

Koning leidde de vergadering van 3 juli weer. Hij had zijn huiswerk goed gedaan en stelde dat de statuten en het huishoudelijk reglement verboden om de eerste drie punten door leden te laten bespreken. Het bestuur kon zich met deze gouden vondst wel verenigen. Om de leden tevreden te houden kwam alleen het 4e punt, aansluiting bij de bond voor zuivelfabrieken, in stemming. Dit werd met 183 tegen 185 verworpen. De verslaggever besloot met: Er is dus door de voorstellers dezer vergadering niets bereikt, en de tijd zal weldra leeren of deze verwikkelingen een storm in een glas water zijn geweest, want de dezer dagen aan de protestantsche leden gerichte circulaire heeft meer kwaad dan goed gedaan aan de verstandhouding der beide partijen.

De notaris vroeg of Hento iets wist van de verspreiding van een strooibiljet door katholieken! Na lang aandringen verklaarde Hento dat hij niets van het biljet wist. Walgemoed merkte op dat hij dit ook wel direct had kunnen zeggen. Het bestuur wilde Besselink wel weer in dienst nemen. Besselink vond dat hij recht had op ƒ252 loon over de periode dat hij afwezig was geweest.

Op 3 september de climax. Een ledenvergadering bij Kremer met 315 leden, die dit dieptepunt in de historie meemaakten. Het begon weer met ruzie over het voorzitten van de vergadering. Na een pittige discussie bleef Koning. Het verslag in de krant: Hiddink verzocht geen verslaggever toe te laten: de buitenwereld heeft er z.i. niets mee te maken. De vergadering steunde dit niet en de leider Koning verzocht niet uitdrukkelijk heen te gaan, zodat schrijver dezes vrijmoedigheid vindt te blijven. Koning licht daarna het voorstel toe, waaruit blijkt dat ’t bestuur aanvankelijk meenende, dat de bekende botersmokkel alleen door ’t personeel was gedreven, thans tot de conclusie was gekomen, dat de directeur hieraan niet onkundig was; ja er zelfs toe heeft meegewerkt door aan den botermaker Besselink een adres van een bakker te Zutphen te verschaffen, waar hij boter voor een goeden prijs kon leveren. Deze heeft daar dan ook vrij geregeld gebruik van gemaakt. De directeur zou hem de boodschap nog nagezonden hebben er de rijksmerken van te verwijderen. Verder heeft het bestuur als klacht tegen Hento, dat deze het bestuur omtrent belangrijke zaken aangaande de fabriek onkundig laat. De bewijzen voor deze beschuldiging zullen we, als behoorende tot de “vuile wasch”, welke Hiddink liefst binnenshuis behandelt, daarom ook hier niet releveeren.

Burghardt wees er op dat het steeds de katholieken waren, die op alle vergaderingen het grootste woord voerden! Dit was een dolksteek richting Besselink, die zijn relaas deed. Het was in oktober begonnen. Op een zaterdag­avond, tijdens het uitbetalen van het weekloon, had hij gehoord dat Hento had gezegd dat bakker Gravestein in Zutphen boter wilde kopen boven de maximumprijs. Machinist Nijman was getuige van deze uitspraak. Toen Besselink vroeg of hij boter kon krijgen, had Hento geant­woord: “vandaag wel, doch maandag niet meer”. Besselink had 15 kg boter gekocht en 's zondags aan Gravestein verkocht. 's Maandags had een knecht van de bakker de boter op willen halen. Hij zou na 5 uur bij Besselink aan huis komen, maar was te vroeg. Besselink had daarom vrij gevraagd om hem die boter te kunnen geven. Hento wist ervan, want hij had tweede assistent Sarink gestuurd om voorzichtig­heidshalve de wikkels en merken er af te trekken, omdat de boter buiten de gemeente zou worden vervoerd. Besselink had de winst zelf in de zak gestoken, zodat Hento volstrekt geen cent voordeel had genoten. Hento vertelde dat hij met verbazing en verontwaardiging punt 3 zijn ontslag op de agenda had zien staan. Hij verdedigde zich door uitgebreid te vertellen hoe de fabriek onder zijn leiding was vooruitgegaan. Het verhaal van de botersmokkel kon niet tegen hem worden gebruikt. Hij wilde volledig­heidshalve de juiste toedracht wel uit de doeken doen. Hij ontkende bovenstaande aantijgingen en had steeds volgens de voorschriften gehandeld. Hij stelde voor het voorstel van het bestuur van de hand te wijzen. Koning antwoordde dat de belangen van de fabriek voorop stonden en bleef bij het voorstel Hento te ontslaan.

Hiddink nam het voor Hento op: “Koning schermde steeds met belangen der fabriek, doch dit was niet de bedoeling van Koning; het was hem er alleen om te doen Hento er uit te werken, waarvoor gehoord thans de geringe grieven en de verdediging in het minst geen aanleiding bestond”. Veel leden stemden hiermee in. D.J. Jansen vond ook dat Hento geen schuld had. Als koopman wist hij hoe moeilijk het was om in de oorlogsjaren geld uit Duitsland te krijgen. Hij adviseerde dan ook tegen het voorstel te stemmen, om de directeur te behouden, omdat hij alleszins bekwaam en geschikt was voor zijn werk. Tot slot volgde de met spanning tegemoet geziene stemming: 190 stemden voor ontslag, 176 tegen, 1 blanco, zodat Hento zijn ontslagbrief kreeg. De vergadering had 5 uur geduurd. Zaal Kremer was zo vol geweest dat menigeen zich met een plaatsje in de gang of op de trap tevreden had moeten stellen.

De bestuursvergadering van 8 september begon met het gebruikelijke ritueel. Hento en bestuurslid Overkamp protesteerden tegen het onwettig aanwezig zijn van Koning. De overige bestuursleden vonden dat de notaris mocht blijven. Ze hadden hem natuurlijk nodig om Hento er uit te krijgen. Waarna Overkamp bedankte als bestuurslid; hij kon zich niet langer met de handelingen van het bestuur verenigen. Het ontslag van Hento werd behandeld. Koning had zich goed voorbereid. Hij haalde een verzegeld papier te voorschijn inhoudende het ontslag en verzocht de directeur dit te willen tekenen. Die was niet op zijn achterhoofd gevallen, verklaarde dit besluit onwettig en wilde niet tekenen voor zijn eigen ontslag. Koning stelde aan het bestuur voor ontslag per deurwaarderexploit te laten uitbrengen. Enzerink en Walgemoed zouden zich hiermee belasten.

Het bleef het gesprek van de dag in het dorp. Enkele aandeelhouders raadden eventuele sollicitanten aan niet mee te dingen naar de vacante betrekking, omdat het ontslag bij justitie aanhangig was gemaakt. Op 4 november de volgende ledenvergadering in Concordia, geleid door Hylkema, over het besluit om het ontslag van Hento weer in te trekken. Wie de aanzet voor de hernieuwde discussie heeft gegeven is niet duidelijk. Misschien Hento zelf, waarbij hij zich verzekerde van de aanwezigheid van meer aanhangers. Enzerink dreigde dat wanneer het besluit tot ontslag niet gehandhaafd bleef, het hele bestuur zou bedanken. Samenwerking met de directeur was niet meer mogelijk. Het resultaat van de nieuwe stemming was dat 205 stemmen werden uitgebracht voor handhaving van de directeur, 192 stemmen tegen en 3 blanco, zodat Arend Hento alsnog aan mocht blijven. De voorzitter sloot de vergadering na de mededeling, namens het bestuur, dat binnenkort een ledenvergadering zal worden gehouden voor het verkiezen van een nieuw bestuur, dat in zijn geheel wenste af te treden. Zodat het bestuur, dat vanaf 1909 ongewijzigd was gebleven, voor de tweede keer in de 18-jarige historie opstapte.

Het nieuwe bestuur werd in december gekozen: voorzitter H. Hiddink, secretaris R. Tjoonk, B. Riefel, A. Hilderink (na herstemming met D.J. Jansen), H. Lenselink, H. Wesselink, G.J. Steenblik, G.J. Langeler en J. Heerink. De situatie bleef onwerkbaar. Het vertrouwen in Hento was verdwenen. Hij bleef tot 1921, toen hij als directeur van de boterfabriek in Uithoorn benoemd werd. Van 1921 tot 1960 was J.C. Geertsema de directeur, hij was al assistent-directeur in Leeuwarden. F. Politiek was diens opvolger tot het einde van de fabriek in 1989. De boterfabriek was overbodig geworden en werd gesloopt, ondanks een flauwe poging deze te behouden.

Met de vele cijfers uit notulen en jaarverslagen zal ik U niet vermoeien. Alleen een paar ter illustratie. In 1919 verwerkte de fabriek 2.626.999 kg melk. 80.137 kg hiervan moest geleverd worden aan de regering en 29.147 kg melk was voor de plaatselijke verkoop. Uit de resterende 2.546.862 kg verkreeg men 86.774 kg boter. Na enkele jaren achteruitgang door de oorlog was er nu weer een vooruitgang. 1914 was het topjaar tot dusverre: 4.713.134 kg melk en 165.363 kg boter. Het aantal melkritten was gegroeid tot 28.

 

Overzicht personeel dat tussen 1900 en 1920 in dienst kwam.

Directeur

B.J.F. Charisius 1900-1901

B. v.d. Burg 1901-1905

A. Hento 1905-1921

Botermaker

F. Besselink 1901-1928

Machinist

H. Putto 1901-1905

H. de Vries 1905-1907

G. Nijman 1907-1930

Volontair

B. Demming 1911

B. Smeenk 1912

Th.J. Bouma 1913

R. Smit 1913-1914

H. de Boer 1914

H. Lubbers 1917-1927

F. Besselink 1927-1939

Melkweger

G. Nijman 1901-1903

J. Besselink 1903-1907

Assistent + Melkweger

J.G. Winia 1907-1910

J. Bieleveld 1910-1913

H. Kuipers 1913

L. Hommes 1914

A. Huisma 1914-1918

A. Veenema 1919

H.J. Buunk 1919-1960

Centrifugist

H. Putto 1901-1903

G. Nijman 1903-1907

J. Besselink 1907-1908

Th. de Weert 1908

H.J. Mulder 1908-1911

H. Bentum 1911-1913

B. Smeenk 1913-1914

A. Veenema 1915

L. van Kempen 1915

G.W. Kerkkamp 1915-1933

Ondermelkweger

J. Besselink 1901-1903

A. Groot Roessink 1903-1937

Kuiper

B. Maalderink 1913-1939

2e assistent

A. Veenema 1914

H. de Boer 1914

A. ten Pas 1915

C.H. Kerlen 1915

H.J. Reulink 1916

W. Sarink 1916-1939

Diverse personeelsleden waren erg trouw, zoals Frans Besselink, G. Nijman, H.J. Buunk, W. Sarink, G.W. Kerkkamp en A. Groot Roessink.

Voorzitters van het bestuur:

A. Enzerink 1900-1905

W. Kerkhofs 1906-1908

A. Enzerink 1909-1919

H. Hiddink 1919-1920 (weggestemd)

 

eerder gepubliceerd in het boek Daar midden in de Graafschap

© W.J.M. Hermans, 2001

 

 

 

 

 


Home