OLD HENGEL

De historie van Hengelo Gld

horizontal rule

TWEEDE WERELDOORLOG

 

    Uit de dagen van de Todt

 

Inleiding G. Morsink, ambtenaar ter secretarie: Het verhaal "Uut de dagen van de Todt" is geschreven door de bekende Achterhoekse schrijver Herman van Velzen. Dit is de schuilnaam voor Frans Roes uit Hengelo G, Banninkstraat. De in het verhaal vermelde feiten zijn door hemzelf, tijdens zijn gedwongen werkzaamheden bij de Todt, meegemaakt. Zij berusten op historische gegevens en vallen in het tijdsbestek oktober 1944 tot april 1945.

De werkzaamheden bestonden in het graven van loopgraven, z.g. 'éénmansgaten' (ronde gaten met een gemiddelde middellijn van ca. 75 cm. en een diepte van ca. 1 m. in de bermen van de wegen), alsmede het maken van 'stellingen'. De schrijver treedt in het verhaal op onder de naam Marinus Kruithof.

Met de plaats Koolhoven duidt hij Hengelo Gld. aan.

 

In het begin van de 2e helft van sept.'44 (19 en 20 sept.'44) werd door de Duitsers de last gegeven, dat de burgerbevolking moest worden uitgeschakeld bij het maken van verdedigingswerken. Ook de burgemeester van Hengelo Gld. ontving die last. Een last die bestond uit de opdracht dat 500 mannen moesten tewerk worden gesteld. De burgemeester weigerde aan deze opdracht te voldoen en ging onderduiken. De volgende dag en nacht 'dook' ook al het ovrige gemeentepersoneel. Uitvoerige gegevens zijn daaromtrent in het gemeentearchief te vinden! Ten gevolge van het 'onderduiken' werd de opdracht niet uitgevoerd en de woede van de Duitsers liet zich gemakkelijk denken. Zij hebben dan ook gedreigd met het 'platbranden' van het dorp. Gelukkig is het niet zo ver gekomen, maar dat er angst was bij de bevolking is begrijpelijk.

In het verhaal wordt burgemeester J. Visser (NSB-er) genoemd, als iemand, die veel goed heeft gedaan. Na de bevrijding (1 april 1945) is inderdaad gebleken dat hij wel geprobeerd heeft, om alles zo goed mogelijk in het belang van de bevolking te regelen.

Dit neemt echter niet weg, dat hij niet alleen met de Duitsers meewerkte, doch zich ook niet ontzien heeft bij zijn vertrek als burgemeester naar Wisch, om in beslag genomen goederen van het gemeentepersoneel mee te nemen.

Het gehele verhaal spreekt voor zich! Wat er in vermeld wordt is nog maar een klein gedeelte van hetgeen er plaats heeft gevonden. Een algemene indruk kan men er van krijgen!

 

1. Graafschapbode 27-09-47, no. 112

 

Het was eind september 1944. De Slag bij Arnhem was niet zo verlopen als wij Achterhoekers gehoopt hadden. Door het uitblijven van de hoofdmacht moesten de valschermtroepen het afleggen tegen de Duitsers. De meesten sneuvelden of werden gevangen genomen. Slechts enkelen van die dappere kerels kon over de Rijn terugkeren naar al bevrijd gebied. De Achterhoekers, die de adem in hadden gehouden, lieten nu de hoop, om voor Kerstmis bevrijd te zijn, maar varen. Dat het nog zo lang zou duren had niemand gedacht.

Op een dag was er in Hengelo iets bijzonders aan de hand. De mensen stonden in groepjes bij elkaar en fluisterden, met de angst op het gezicht, over het laatste nieuws. Hengelo moest 800 man leveren om te werken bij de Todt. Het bericht kwam van het gemeentehuis.

Manus kwam net het dorp in lopen en was snel op de hoogte. Hij begon met het rechterbeen te trekken. "Wat mankeert jou?" werd hem al snel gevraagd. "Reumatiek", zei hij en strompelde verder.

Niet lang daarna was er weer ander nieuws. De burgemeester en al het personeel van het gemeentehuis waren 'bij de groene kikvorsen onder water' (ondergedoken) en de boeken van de Burgerlijke Stand hadden ze meegenomen. Sommigen zeiden: "Goed zo, nu moeten ze de hele bevolking opnieuw inschrijven. Wie zich niet in laat schrijven, is er niet". Anderen sloeg de schrik om het hart en zeiden: "De Moffen zullen ons wel een lesje leren. Ze zetten gewoon 20 of 30 man tegen de muur en eisen de burgemeester en het gemeentepersoneel op. Komen ze niet, dan schieten ze nog meer gijzelaars dood. De SS is tot alles in staat".

Er werd ook verteld dat, wanneer zich niet genoeg mensen aan zouden melden om voor de Todt te gaan werken, Hengelo platgebrand zou worden, net als Putten. De angst was sommigen op het gezicht te lezen. Er werd al begonnen voor zieken en bejaarden buitenaf onderdak te zoeken, voor het geval dat het zo ver kwam. Gelukkig zijn die geruchten geen waarheid geworden.

 

De Todt kwam en nam het gebouw van de Boerenleenbank in beslag. Jan Reusink, de kassier, moest met zijn hebben en houden verhuizen en vond onderdak bij de weduwe Bovenkerk in de Spalstraat ('Achtspalle').

Hengelo kreeg een nieuwe burgemeester: Visser en kwam uit Valburg in de Betuwe. Toen Manus zag hem voor het eerst in gezelschap van 2 landwachters en dacht direct: wat een onsympathiek gezicht. Daar kunnen we nog wat mee beleven (had hakenkruis op zijn pijp).

Eigenlijk was er niemand, die een hekel had aan burgemeester Visser. Sommigen vertelden zelfs dat hij een hoop goeds heeft gedaan voor de bevolking in die donkere dagen. Hij is nu (sept'47) al een hele tijd dood.

Op een morgen moesten alle mannen uit Hengelo tussen 16 en 60 jaar zich op het gemeentehuis melden voor de Todt (Operation Todt, O.T., "Todderi'je"). Als er niet genoeg kwamen, dan werden er een paar vooraanstaande lui tegen de muur gezet. Iedereen begreep dat de Duitsers daar de hand niet voor omdraaiden. De arbeiders zouden binnen de gemeente blijven, kregen vijf gulden per dag en 'Verpflegung': brood, worst, sigaretten en drank. Menigen wist niet wat hij moest doen. De meesten wilden niet voor de vijand werken en tegen de bondgenoten, die ons moesten bevrijden. Maar het doodschieten van 10 of 20 mensen wilde ook niemand op zijn geweten hebben.

Manus dacht dat niemand doodgeschoten zou worden.

Op 2 oktober stonden de gravers met de schop over de schouder voor het gemeentehuis. De kerels van de Todt schreeuwden Duitse commando's, die niemand verstond of wilde verstaan. Ze probeerden de gravers in rijen van 4 op te stellen, naar het voorbeeld van de SS-elitetroepen. Gemakkelijk ging dat niet. Als vooraan een rij goed stond, stond achteraan alles weer door elkaar. De Duitsers scholden: "Ein hoffnungsloser Sache. Genau wie bei die Ameisen, nichts steht Ameisen, nichts steht gerade. Ein wildes Durcheinander. Die Holländer, verflucht nogmahl. Was fangen wir an mit diese Leute?"

Dat zei de Todt-leider Erich Engel uit Sommerfeld. Hij leek sprekend op Josef Göbbels. minister van propaganda ("leugenministerie") en had net zo'n hese schreeuwstem. Hij lachte altijd als iemand die met zijn achterwerk op een stopnaald zat en dan kwam er een gouden tand tevoorschijn.

Veel mannen hadden een schop bij zich vol scheuren en happen, waar je nog geen aardappel mee uit de grond kreeg. Eindelijk kon de troep afmarcheren. Manus was bij de werkgroep Erich Engel ingedeeld. De onderbaas was ene Wilhelm, een kleine, magere, zenwachtige schreeuwlelijk.

De groep trok naar de steenweg Hengelo - Zutphen om éénmansgaten te graven. Die ronde gaten moesten 1.40 m. diep en ruim een meter breed zijn. Het uitgegooide zand, dat als een kraag om het gat kwam te liggen, moest naderhand met graszoden bedekt worden.

Het duurde lang, maar de eerste eenmansgaten kwamen klaar, behalve Gert Maalderink (Banninkstraat) had zijn gat nog niet op halve diepte. Hij stond daar met zijn schop een beetje zand los te peuteren en gooide af en toe een klein beetje naar boven. Het meeste kwam ook nog weer in de kuil terecht.

Eerst stond Wilhelm erbij. Maar Gert verstond Wilhelm niet en Wilhelm verstond Gert niet, daar zorgde Gert wel voor. Later kwam Engel erbij. "Kannst du nicht arbeiten?" vroeg hij. Die vraag verstond Gert heel goed. "Nee, meneer", zei Gert. "Ik heb last van een breuk".

Het duurde even voor de gravers, die intussen erbij waren komen staan, de Duitsers duidelijk konden maken wat het gebrek van Gert was. De Duitsers geloofden de Nederlandse gravers toen meer dan later en Maalderink kon naar huis.

Ondertussen was de nevel opgetrokken en kwam er een vriendelijk herfstzonnetje. De Todts keken vaak naar boven. De gravers wisten waar de helden bang voor waren, maar hielden zich dom. Manus vroeg aan Engel: "Wat kijken jullie toch naar boven. Er komt vandaag geen regen". "Regen? Kugelregen, ja. Bald kommen die Tiefflieger und werden uns beschiessen, die Schweinhunde. Die Sonne sol wegbleiben, wir brauchen Wolken und Dunst", snauwde Engel. Manus moest Engel gelijk geven. Wolken en mist, dat hadden ze nodig, letterlijk en figuurlijk. Want overal lagen ook de modderplassen.

Engel's voorgevoel kwam uit. Een ogenblik later stond hij op de weg met zijn armen te zwaaien en riep: "Deckung! Flugzeuge!". De gravers staken de schoppen in de grond en gingen kalm op de rand van een eenmansgat zitten. Ze keken dezelfde kant op als Engel en Wilhelm, maar zagen niets. Ja toch. In het zuidwesten klonk een zacht geraas van vliegtuigen en even later kwamen 8 zwarte stippen dichterbij.

"Gelukkig, ze komen hier niet over", zuchtte Engel in het Duits. Hij vergiste zich. Opeens draaide de vliegtuigen naar rechts en het leek alsof ze recht op de groep af kwamen. Engel schreeuwde als een mager speenvarken. "Deckung! Schnell! Deckung!" Hij dook tussen de bramenstruiken.

Wilhelm wrong zich tussen de takken van een elzenstruik en deed alle moeite om de takken over zich heen te leggen. Hij gunde zich geen tijd om de pet, die van zijn hoofd gevallen was en midden op de weg lag, op te pakken. De gravers lachten.

Toen Engel weer tevoorschijn kwam en de spottende gezichten van de gravers zag, werd hij woest. Zijn dunne lippen trokken een akelige grijns en zijn gouden tand blonk fel.

"Aan het werk, de verloren tijd wordt ingehaald", schreeuwde hij nijdig. Toen de gravers het nog steeds kalm aan deden, liep hij op een draf langs de gaten en gaf de ergste luiaards een stomp in de rug of een trap tegen het achterwerk. "Arbeiten, arbeiten, ihr Lumpen!" Plotseling stond hij bij het gat van Manus, dat nog geen handbreed diep was.

"Jij hebt helemaal niks gedaan en wat je gedaan hebt is nog slecht gebeurd ook! Kinderen met een soeplepel maken zo'n gat beter en sneller. Ik geloof dat jij niet wilt werken. Sabotage noemen we dat. Naar een concentratiekamp moet jij!"

Manus, die op de knieën voor het gat lag, kwam moeilijk overeind. "Ik heb pijn", klaagde hij.

"Schmerzen, wass Schmerzen. Wo hast du Schmerzen?", snauwde de Todt.

"Waar het dikke van het been eindigt en nog dikker wordt", zei Manus geheimzinnig. Hij wreef zich over de plek, waar de pijn hoorde te zitten.

"Ach wass, Schmerzen! Kwatsch! Englischer Krankheit hast du. Wenn die SS mal kommt, ist das sofort geheilt."

Opeens haalde Manus zijn bats op. De Todt schrok en sprong achteruit.

"Kijk", zei Manus. "Hier moet ik mee werken. Stomp, krom en overal ingescheurd. Kun jij daar mee werken?"

De Todt schudde met zijn hoofd. "Waarom neem je dan geen betere schop?"

"Hoe moet ik daaraan komen, ik heb geen ander."

"Dan moet je er ergens een lenen. De boeren hebben schoppen genoeg."

"Dat zal ik proberen", zei Manus. Hij sloeg de schop over de schouder en kuierde weg. Die dag zagen ze hem niet terug.

 

 

2. Graafschapbode 4-10-47, no. 115

 

De volgende dag moest de ploeg onder leiding van Engel eenmansgaten graven langs de weg naar Steenderen in de buurtschap Reigersvoort. Het was mooi zonnig weer. Aan weerskanten, in de berm van het smalle hobbelige steenweggetje, stonden kilometers lange rijen van gravers zo langzaam mogelijk te werken. Engel, zijn satelliet Wilhelm en nog een paar slavendrijvers liepen als pauwen over de weg en hielden een oogje in het zeil. Af en toe klonk de hese Göbbels-stem van Engel, die een al te langzame graver een Duits scheldwoord toesnauwde. Al te veel trokken de gravers zich daar niet van aan.

Engel ging midden op de weg staan en schoot zijn automatisch pistool leeg in de lucht, maar van de 8 kogels ketsten er zes. De twee die wel afgingen maakten niet meer geluid als een dopje in een klappertjespistool.

Iemand maakte een opmerking over de kwaliteit van de Duitse wapens. Engel ving iets op. "Wass?", snauwde hij. "Ik zei niks", zei de graver.

Engel, die Manus Kruithof blijkbaar helemaal vergeten was, kreeg hem opeens in het oog.

"Aha, hast du nun ein bessere Schuppe?"

"Nee", zei Manus, "dat heb ik niet. Ik ben overal geweest, maar geen boer kan een schop missen. Ze moeten allemaal zelf graven voor jullie."

De Todt nam de schop in de hand en bekeek het aandachtig. "Damit kannst du nicht arbeiten. Gehe schnell zum Schmiede und lasse das reparieren."

Manus klom uit het gat en stapte met de schop op de schouder naar Bernard Sueters (C15), de smid. Die knipte de helft van de schop af. Het overgebleven stompje was lachwekkend om te zien.

Maar al had de schop van Manus er geen schuld aan, de eenmansgaten kwamen die dag klaar. De meesten op de lager gelegen gedeelten stonden na een half uur vol water, maar dat vonden de gravers prima.

Toch waren ze wat ongerust. Niemand wist wat er nu zou gebeuren, de gaten waren immers klaar. Sommigen waren bang, dat ze iedereen op zouden pakken en naar Duitsland stuurden om daar in de fabrieken te werken of als gijzelaars vast te houden.

Anderen zeiden, dat we bunkers en tankgrachten moesten maken in de Bakerwaard aan de IJssel. Maar gerust was er niemand op. Manus vond het verstandig om de reumatiek maar iets erger te laten worden.

De volgende morgen tegen 8 uur marcheerden de gravers vanaf het gemeentehuis richting Baak. Er waren heel wat minder bekende gezichten als de vorige dagen en iedereen was een beetje stil. Manus liep steeds manker. Willem 'de sigarenreiziger' (Besselink, Aaltenseweg, zwager van Frans Roes) hapte naar adem als een vis op het droge.

"Wat scheelt jou dan?", vroeg Wilhelm, die dicht bij hen liep.

"Asthma", zei Willem. "Daar heb ik vooral 's morgens veel last van."

"Dann musst du zum Arzt gehen", zei Wilhelm.

Ondertussen hadden we de Baaksedijk bereikt. Er waren op de wereld veel wegen die beter waren dan de Baaksedijk, slechter was echter moeilijk voor te stellen. Manus, die al tot de laatste rij gravers was afgezakt, bleef nu helemaal achter.

"Kannst du nicht mitkommen?" riep Wilhelm.

"Nee", zei Manus. "Ik heb zo'n pijn in het been, ik kan haast niet lopen."

"Ich werde mit herr Engel darüber sprechen", beloofde Wilhelm.

Manus bleef nog verder achter tot hij de groep alleen nog heel in de verte zag.

Toen hij ze helemaal niet meer zag, ging hij op de leuning van een bruggetje zitten en stak een pijp met eigenbouw tabak op.                                                              

Het smalle beekje lag te glinsteren in de zon. Een fris herfstwindje streek door de eiken langs de weg en in de verte lagen boerderijen in de lichte blauwe nevel. Een opgenblik leek het alsof er geen oorlog was, geen Duitsers, geen Todt, geen landwacht, geen concentratiekampen of vuurpeleton. Vrij, alleen maar vrij. Maar even later was er weer het geraas van vliegtuigmotoren en daarna het doffe geratel van boordwapens, iets verder naar het noorden.

Manus sloeg nauwelijks nog acht op die geluiden, ook daaraan was hij gewend geraakt. Hij zat te overdenken wat hij zou doen. Terug naar huis of verder strompelen en kijken wat er zou gebeuren. Hij deed het laatste. Hij sprong van de leuning en ging verder naar Baak. Hij liep heel moeizaam, vooral toen hij in de bebouwde kom kwam en op de Zutphen - Emmerikseweg, waar overal Duitsers op de loer lagen. Maar op dat moment lag de weg er verlaten bij. Een kapot geschoten Duitse auto hin doorzeefd tegen een wilgeboom tegen de helling van een berm. Een eenzame landwachter met een dubbelloops jachtgeweer reed zwijgend voorbij.

Van de Emmerikse kant kwam een auto aanscheuren. Een soldaat zat op de motorkap. De auto stopte vlakbij Manus. Het was een wagen vol hoge pieten. Manus zag vele gouden versiersels en ijzeren kruizen, toen hij in de wagen keek.

"Wat loop jij hier alleen met die schop?", vroeg een van hen in het Duits.

"Ik ga naar het werk langs de IJssel", zei Manus.

De hoge piet keek op zijn gouden polshorloge. "Kwart vor elf. Je begint niet vroeg."

"Ik ben achtergebleven, omdat ik niet mee kon komen vanwege mijn reumatiek."

"Wo kommen Sie her?"

"Aus Hengelo, neun Kilometer Süd-Ost von hier", zei Manus in zijn beste Duits.                 

"Also, Sie haben Rheuma?"

"Jawohl. Ischias eigentlich".

"Die Leuten von Hengelo mussen ab morgen gebracht und geholt werden mot wagen oder karren. Notieren Sie diesem Befehl, Müller", zei de hoge piet tegen iemand anders in de auto.

Toen stak hij zijn rechterarm uit en zei: "Heil Hitler!".

Manus bleef roerloos staan en keek de auto na, die snel richting Zutphen wegreed.

De gravers zaten in een weiland. De Todts wisten niet wat ze moesten doen. De Nederlanders zaten te schelden dat ze wel andere dingen te doen hadden thuis, zoals de rogge er in maken en andere oogstbezigheden.

Hoog door de lucht volgen formaties bommenwerpers en trokken witte rookstrepen langs de blauwe hemel. Richting Duitsland. Arme vrouwen en kinderen, dachten velen, maar dan dachten ze weer aan Rotterdam, Coventry, Warschau en zo veel andere plaatsen die de Duitsers platgegooid hadden.

De gravers marcheerden uiteindelijk naar 'De Boterboer', een boerderij aan de Zutphen- Emmerikseweg. Er moesten loopgraven en mitrailleurnesten gemaakt worden. Maar dat was niet zo gemakkelijk. De grond was steenhard en er lag wel en meter puin onder. Al snel was de schop krom, zodat het werk helemaal niet op schoot, maar dat vonden de gravers niet erg.

Bij De Boterboer was ook jonker Ferdinand aan het werk. Dit was Freiherr J.F.M.A.F von Twickel, die vroeger op 't Kervel woonde. Door zijn minder goed gedrag (drankmisbruik) was hij reeds als jonge man onder curatele gesteld.

Door een slecht beheer van de goederen (eerst door zijn vader, later door de moeder) kwam deze adellijke familie, die zeer rijk was, tot verval en werd ten slotte alles verkocht. Bij de onder curatele-stelling was voor de jonker een groot bedrag vastgelegd, waarvan hij later moest leven. Momenteel (1948) nog.

Tijdens de bezetting was hij in Vorden in pension. Dientengevolge moest hij meewerken voor de O.T.

Ferdinand had nog nooit een schop vast gehad en hield de steel vast als een sigaar tussen de vingers.

Ze groeven nog botten op, afkomstig van een kozak uit de tijd van Napoleon.

Tegen vier uur zei de Todt: "Wir machen Feieraben". Het graven had toch geen zin, er moesten eerst houwelen uit Zutphen komen.

Een graver had een fiets bij zich met harde banden. Manus mocht achterop. In Hengelo zei Engel tegen hem: "Morgenfrüh melden Sie sich beim Kommandanten in das Bankgebaude. Dann bekommen Sie leichte Arbeit. Holzhacken und Kartoffeln schellen und so weiter."

 

3. Graafschapbode 11-10-47, no. 118

 

Manus meldde zich bij het bankgebouw, waar de Todt-commandant, Herr Oberleutnant Brand, de scepter zwaaide. Brand was een klein dik mannetje met een kale kop, een soort varkenskop. Als hij iemand aankeek, leek het alsof hij er dwars door heen keek.

Keukenmeid was Sjonnie. Zij was een echte 'moffenmeid' en van een zeer slecht allooi. Haar werkelijke naam en waar zij vandaan kwam is niet bekend. Sommigen zeiden uit de omgeving van Dedemsvaart. Zij was met de Todt meegekomen.

Sjonnie was een vies mens. Ongewassen en vet, ze had de haren als slierten vet om het hoofd hangen. Ze droeg een smerige, blauwe overall vol met gaten. Daaronder een paar Duitse soldatenlaarzen aan haar korte dikke benen.

Het was in een woord een vies ding en hoe de Todt aan zo'n keukenmeid gekomen waren was een raadsel.

Toen Manus haar zag stond hij op het punt toch maar weer te gaan graven.

De commandant stuude Manus achter het gebouw om kachelhout te kloven. Kolen waren er niet meer in die dagen.

Hij trof er nog 2 andere arbeiders: Willem van de Hummelseweg (W.B. Jansen, Hummeloseweg 11) en Gart van het Witte Huis (G.Huitink, Korte Banninkstraat 2).

"Ga maar zitten", zei Willem. "De commandant is nu toch druk met boeren, die om verlof vragen."

Ze kloofden het hout zo dun mogelijk. Het zou dan veel te snel verbranden maar zo hielden ze het langste werk, zodat ze niet ergens anders heen hoefden.

Er was nog wel meer werk. Omdat er geen stroom was, werkte de electrische pompinstallatie niet en moest elke dag de regenput vol water gegooid worden.

Manus zag bij het aardapelschillen, de Todt-beweging van dichtbij. De Duitsers rookten de sigaretten, die bestemd waren voor de gravers, allemaal op. Het duurde niet lang voor Manus wist in welke la de sigaretten lagen. Sjonnie was ook de beroerdste nog niet. Als ze de kamer van de commandant schoon moest maken, nam ze elke keer een paar sigaretten mee. Ze deelde eerlijk met Manus. Hij rookte ze stiekem op of thuis. Sjonnie niet, die stapte met een brandende sigaret door het hele bankgebouw.

"Wie kommst du an die Sigaretten?", vroeg hij een keer.

"Die heeft Adolf mij gestuurd wegens grote verdiensten voor de Wehrmacht. Hij rookt zelf niet, weet je", zei Sjonnie.

De commandant lachte een beetje, maar zei niets. De sigaretten kwamen wel op een plek, waar Sjonnie er niet meer bij kon.

Sjonnie zong van alles, ook ant-Duitse liedjes, dat kon haar niets schelen.

Zij zong: " Zie de blanke top der duinen

            Afgezet met prikkeldraad,

            Waar nu elke twintig meter,

            Weer zo'n vuile rotmof staat.

            Ik groet hem van het vlakke strand,

            Jij komt nooit in Engeland."

Eens had ze een fles cognac gevonden en helemaal opgedronken. Helemaal dronken lalde en schreeuwde ze door het gebouw. De commandant wilde weten hoe ze aan de cognac kwam. Eerst zei ze weer van Hitler, net als de sigaretten, maar uiteindelijk gaf ze toe dat ze een fles had gepakt uit de kast in de Schreibstube.

Er zat een luchtje aan de cognac. Die had de commandant namelijk gekregen als afkoopsom, die een handelaar had moeten betalen om vrijstelling te verkrijgen.

Wie dit geweest is, is niet bekend. Wel iemand uit Hengelo. Deze manier van 'vrijkopen' werd veel toegepast, vooral door landbouwers. Zij waren daartoe in staat. Minder bedeelden moesten wel werken. De methode zullen we maar niet beoordelen.

Sjonnie wist veel en Brand had liever niet dat ze dit rondbazuinde.

Hij was toch al slecht gehumeurd. Behalve het aanhoudende gezeur om vrijstelling en verlof was nu nauwelijks de helft van de gravers op komen dagen en die 'helft' werd elke dag kleiner. De Todts begonnen te dreigen met maatregelen. Ze wisten wel wie er achter stak: de prominenten, de geestelijken, de England-Freunde, zij fluisterden het volk in om niet te gaan graven.

Het was een valse beschuldiging, maar de commandant was niet op andere gedachten te brengen. Van allerlei praatjes deden daarna in Hengelo de ronde, niemad wist waar ze vandaan kwamen. Angstige mensen werd nog meer onnodig de schrik op het lijf gejaagd.

Manus verdacht de Duitsers zelf, zij hadden er het meeste belang bij.

Op een dag moesten enkele vooraanstaanden in het bankgebouw bij elkaar komen om met de Todts een plan van actie op te stellen en de bevolking aan te sporen te gaan graven.

Manus zag ze zitten aan de lange tafel. Een beetje bleek, maar rustig. Vastbesloten om niet te doen wat de commandant wilde: de Hengeloërs aansporen om te gaan graven.

 

 

4. Graafschapbode 18-10-47, no.121

 

De vooraanstaande burgers van Hengelo moesten wel iets ondernemen om het dreigende onheil af te weren. Na overleg werd een oproep in elkaar gezet, waar niemand zich de vingers aan kon branden. Zelfs de Todt had in de gaten, dat ze er tussen werden genomen.

Op het gemeentehuis werd een tweede vergadering belegd, waar ook burgemeester Visser bij was. De Todts hadden er nog twee andere prominenten bij ontdekt: notaris Van Ballegooyen de Jong en dokter Ter Bals. Of iedereen de uitnodiging waardeerde, durf ik te betwijfelen.

De volgende dag kregen de Hengeloërs het volgende pamflet thuis:

             HENGELO 9 oct.'44

             Op heden zijn Ds.J.Barbas, Ds.K.G. Kwint, Kapelaan J.van Leer, kapelaan J.Batenburg, G.J. Harmsen, J.H. Klem en J.C. Geertsema ten Gemeentehuize bijeengeroepen voor een bespreking met den Duitse Arbeidsleider en den Burgemeester. Op deze bijeenkomst is hun medegedeeld, dat het aantal         meldingen voor de arbeidsinzet te gering is en dat dit maatregelen van de Duitse Wehrmacht voor de gehele gemeente ten gevolge zal hebben.

             Met deze maatregelen worden bedoeld: het vastzetten en eventueel terechtstellen van gijzelaars en het platbranden van een gedeelte van het dorp, zoals naar ons werd medegedeeld, o.a. in Putten is geschied. Alle vrijstellingen zijn vervallen en aanmelding op Woensdag 11 October te zeven uur werd       geëist."

De stemming in Hengelo was slecht. Mannen die eerst weigerden te graven begonnen te twijfelen. Was het ernst of een loos dreigement? Iedereen wist dat de moffen tot alles in staat waren.

Manus vroeg het aan de commandant. Brand trok de schouders op en glimlachte; niemand wist wat dat betekende.

Op de morgen van woensdag 11 oktober stond het voor het gemeentehuis zwart van de mensen, die wilden graven. Misschien nog geen 800, maar de commandant was tevreden. Bij heel wat aspirant-gijzelaars viel een pak van het hart.

In die tijd (daarvoor: zaterdag 7 okt. bombardement op Emmerik, wh) stonden Manus met Gert Huitink op een zaterdagmiddag weer eens houtjes te kloven. Er was iets gaande. Ver in het zuidwesten klonk het gedonder van geschut, dat steeds heviger werd.

Het sprankje hoop, dat we nog altijd hadden op een snelle bevrijding, begon te herleven.

Zouden we dan toch nog voor Kerstmis bevrijd worden?

De commandant keek bedenkelijk. Het gedonder werd steeds heviger. Het leek of er 10 batterijen aan het schieten waren. De ruiten in het bankgebouw kon je door de luchtdruk van de ontploffingen zien bewegen. Onze broekspijpen fladderden om onze benen, het leek wel storm, maar er was slechts een matig herfstwindje. De Todts keken angstig naar buiten.

Richting Hettenheuvel zagen we een zwerm bommenwerpers. Een kreeg een voltreffer en vloog in stukken uit elkaar. Dit was de enige van al die honderden die ik heb zien vallen.

De Todts waren in de Schreibstube haastig hun koffers aan het pakken. De doodsangst was hen op het gezicht te lezen. Commandant Brand nam met zijn koffer en karabijn als eerste de benen. De anderen volgden. Sommigen renden door de Spalstraat, anderen door de Kastanjelaan. Ze bukten zich voor granaten die ergens in de buurt van Emmerik vielen.

Een van de laatsten die vertrok zei tegen Manus: "Wir sind zu compagnie Kummer gegangen. Das können Sie sagen, wenn jemand nach Uns fragt".

De compagnie Kummer was een klein overschot van het Duitse leger, 10 min. ten oosten van Hengelo in het 'kleine plantsoen'. (gemeenteplantsoen aan de Beatrixlaan).

Een man met volle zakken wachtte op de terugkeer van de Todts. Hij had een afspraak met een van de leiders ('Hagen Tronje'). Na terugkeer ging de man achter de Todt het bankgebouw binnen. Daar struikelde hij en zijn zakken waren ineens plat. Er hadden eieren ingezeten om vrijstelling af te kopen. Daar zou de commandant geen genoegen mee nemen; hij kreeg geen Ausweis.

Langzaam begonnen de Todts van de compagnie Kummer weer binnen te druppelen. Emmerich was platgebombardeerd wisten ze te vertellen. Maar de Duitsers zouden wel wraak nemen. Het nieuwe wapen was bijna klaar en dan was Engeland snel van de aardbodem verdwenen.

Manus moest 's maandags weer mee met de gravers. Het was het einde van het lichte werk op het bankgebouw en Manus was er niet rouwig om.

 

5. Graafschapbode 25-10-47, no. 124

 

We waren in Bronkhorst aan het werk op de Pennekampsbult en omgeving. Daar moesten loopgraven en tankgrachten komen. Manus was stiekem van de groep Engel naar de groep van Nauendorff gegaan. Hij was niet de enige. Nauendorff was een bejaarde, kalme Duitser met zilverwitte baardstoppels om de kin. Het was een grote, zware kerel en had een hartkwaal, maar het was een mens.

Hij raasde en schold niet, hij probeerde alles rustig op te lossen.

Hij had 2 andere Todts onder zich, samen hadden ze de leiding. De twee waren Hermann Bahrs en Richard Klüske uit Sommerfeld. Het moet wel opzet geweest zijn dat al die 'Politische Leiter' (want echte O.T.-mensen waren het niet) uit het oosten van het Derde Rijk kwamen. Mensen uit Rijnland of Westfalen hebben we nooit gezien. Maar als alle Duitsers zo waren als de oude Nauendorff hadden er geen concentratiekampen bestaan. De gravers hebben nooit een kwaad woord over hen gezegd, met name de eerste twee.

's Morgens kwam commandant Brand met ondercommandant Henckel de werkzaameden in Bronkhorst inspecteren. De Todts werden plotseling strenger en begonnen ons op te jagen. Engel en Wilhelm schreeuwden: "Der Kommandant kommt! Arbeiten! Sonst gibt es Krach. Schnell, du faule Hunde!"

Nauendorff zei niks.  Hij stond rustig met zijn handen op de buik en glimlachte.

Ondanks het geschreeuw van Engel en Wilhelm kwam er maar af en toe een schop vol klei over de rand van de loopgraven. De Polakken moesten er aan te pas komen, om de gravers aan te sporen door een stomp met een geweerkolf. Polakken waren Duitsers die in Polen woonden en nu in het Duitse leger waren. Kleine vette kereltjes met ongewassen gezichten en donkere stoppelbaarden. Zij spraken Duits met een sterk Tsjechische tongval en waren moeilijk te verstaan.

Een van hen werd Hahnauwer (uit Siebenburgen) genoemd, omdat hij sprekend op een beestenkoopman uit Zutphen leek, die toen hij nog leefde hier nogal bekend was. Hahnauwer waste zich nooit en schoor zich maar eens per week. Iedereen was er bang voor, zelfs de Todts. Hij was roekeloos met zijn geweer, dat altijd geladen was. Menigeen hoorde een kogel langs zijn oren fluiten. Een wonder dat nooit iemand geraakt is.

's Middags verspreidden de gravers zich over de weilanden. Sommigen groeven loopgraven, anderen sloegen lange palen in de grond en weer anderen maakten een vlechtwerk van lange dunne takken of verankerden de ingeslagen palen met draad.

Ook moesten er enkelen graszoden steken, waarmee de uitgegraven grond aan weerszijden van de loopgraven bedekt werden. Er waren ongeveer tienduizend arbeiders tussen Bronkhorst en Zutphen langs de IJssel aan het werk.

Wanneer de zaak niet zo gesaboteerd was, dan was het werk binnen een maand klaar geweest. Maar het schoot niet op. De loopgraven vielen in, of ze waren te breed. Ergens anders weer te smal, te diep of te ondiep, er mankeerde altijd wat aan.

Het is bekend dat een loopgraaf van 40m. lengte meer dan honderdduizend gulden kostte. Ieder deed zijn best om zo min mogelijk te doen en de Todt zo veel mogelijk bij de neus te nemen.

Die middag was daar een mooi voorbeeld van. Bart Kroesen (geb. 1-11-15,Zelhemseweg 7) de schoenmaker (later Quick) moest palen inslaan. Hij zei: "Dat kan ik niet. Ik ben schoenmaker".

Hij sloeg en al na een paar slagen stond hij met de steel in de hand. De hamer lag in een loopgraaf. Er moest een nieuwe gehaald worden. Na een half uur kon Bart weer verder. En weer na een paar slagen klonk lawaai en gelach: de steel was middendoor gebroken.

Weer moest iemand er op uit om een nieuwe te halen.

Dat duurde heel lang, toen de graver terugkwam, zonder hamer. "Ze willen mij er geen geven, of ik was er persoonlijk verantwoordelijk voor. Daar bedank ik voor."

De Duitsers werden steeds bozer. Een schreef een briefje en gaf die mee. De jongen ging weer op pad. Nu bracht hij een hamer mee.

De Todt wilde hem eerst zelf proberen. Hij gooide zijn koppel met revolver van zich af en deed de lange jas uit. Hij greep de hamer en begon te slaan. De man, die de paal vast hield stond doodsangsten uit, want het was te zien dat de Duitser dit werk nooit deed.

Na een paar klappen gaf hij de hamer weer aan Kroesen. Maar hij had zich nog niet omgedraaid of ... knap, ook de derde hamer was gesneuveld.

De Todt begreep er niets van. Een sterke kerel als Kroesen moest maar ander werk doen.

Zo werd er gewerkt bij de OT. De jongens bedachten steeds andere trucjes om de bezetter tegen te werken. Het duurde niet lang of alle mannen die met een houten hamer moesten werken leerden het kunstje van Bart en dat heeft de Duitsers heel wat gereedschap gekost.

 

 

6. Graafschapbode 1-11-47 no. 127

 

                             't Hoogenkamp

 

Het was koud en nat. We stonden opgesteld bij het gemeentehuis om naar de IJssel te vertrekken. We hoefden niet meer te wandelen. De Kreisleitung had ervoor gezorgd dat de mannen die geen fietsen hadden op boerenwagens van en naar het werk gehaald werden. Wie nog een fiets had, kon zich aansluiten bij de fietsploeg.

Nauendorff zocht 30 kerels uit, verdeeld in 2 groepen van 15. Manus werd ingedeeld bij de groep onder Richard Küske. Küske was vroeger een klein sigarenfabrikantje met sigaren- en tabakswinkel uit Sommerfeld. Hij had voor de oorlog vaak inkopen gedaan in Rotterdam en kende zo wat van Holland. Manus dacht dat het hem niet zo voor de wind was gegaan en daarom bij de NSDAP was aangesloten, die van alles beloofden. Hij deed heel belangrijk, maar de gravers hadden al snel zijn zwakke plekken gevonden. Hij dreigde veel, maar voerde ze nooit uit.

We moesten naar 't Hogenkamp, een paar kilometer naar het westen. Daar moesten 2 stellingen gebouwd worden voor zware Flak, met eenmansgaten en 3 mitrailleursnesten. Het stond al met baken en paaltjes aangegeven, Küske had de tekeningen.

De eerste dag gebeurde er niets. Küske begreep er niets van en uiteraard wij ook niet. De volgende dag werd er toch begonnen met een gedeelte af te plakken. Later kwam er een deskundige Feldwebel.

Op een dag kwam Teunis Roenhorst bij de stelling: "Wat maken jullie hier, een visvijver?"

"Een stelling voor pantserafweer", was het antwoord.

"Dan mogen jullie wel goede laarzen hebben", zei Teunis. Andere buurtbewoners zeiden hetzelfde. De grondslag? lag te laag voor zulke dingen. Als het grondwater iets steeg, stond alles onder water. Elke winter stonden de weilanden daar blank.

Küske geloofde het niet. Hij dacht dat de buurt hen weg wilde hebben. Hij overlegde met Feldwebel en grootmajoor maar Befehl was Befehl.

Manus mocht vanwege zijn reumatiek geen zwaar werk doen. Hij mocht de kaarten van de gravers aannemen en 's middags om vier uur weer teruggeven. Küske was doodsbenauwd voor controle van Kreisleitung of weermacht.

Elke dag mochten er van hem 2 mannen met verlof, waarvan hij de kaarten toch afstempelde, Dit in overleg met Henckel, die nu de nieuwe commandant was.

Harm Bijenhof (Spalstraat 16) en Marinus Disbergen (Ruurloseweg 17) haalden een oude potkachel bij Roenhorst. Die werd in de stelling gezet. De hele buurt stond soms onder de kwalm van de Todt-kachel.

Küske kroop, als hij het te koud kreeg, bij de boeren achter de kachel.

Toen kwamen er een paar dagen met helder weer. Küske keek direct omhoog. En al snel kwamen de Engelse jagers. Je hoorde ze eerder dan je ze zag, maar de Duitsers vlogen altijd direct weg.

't Hogenkamp had een goede naam bij de gravers. Elke morgen stonden er enkelen, die daar wilden werken. Maar Küske liet er niet meer dan 15 toe. Hij was bang voor de commandant en de Kreisleitung. "Ach wat de Kreisleitung", zeiden de gravers. "ie tellen geen koppen. Daar is de burgemeester van Berlijn bij, die heeft nog sigaretten uitgedeeld onder de gravers."

"Maar de Feldwebel dan?"

"Die haalt zijn eigen teelt op. Hoe langer het graven duurt, des te langer houdt hij dit baantje en hoeft hij niet naar het front."

"En de Grootmajoor dan?"

"Die telt alleen de eieren die hij hier vandaan sleept. En als je met hem praat over de vruchtbaarheid van de Aziatische volkeren en het avondrood, dan vergeet hij alles, dat zijn zijn stokpaardjes."

Zo kwamen er 25 mannen aan het werk. Vooral ouderen uit de buurt. Niemand die er moeilijk over deed.

Küske sprak met Manus over de oorlog. "Ik begrijp jullie wel. De Hollanders saboteren alles. Ik zou hetzelfde doen als ik voor de Russen of Fransen moest werken."

Manus was op zijn hoede. "Hoezo sabotage? Je kunt van winkeliers, kantoorklerken en ambachtslieden toch niet verwachten dat ze verstand hebben van grondwerk. Ze weten niet eens hoe ze een schop vast moeten houden."

 

 

7.  Graafschapbode 8-11-47, no. 130

 

Disbergen, Bijenhof en Manus moesten hout halen in een bos 't Spal, tegenover de boerderij Riefel, Bekveld. Ze besloten het slechtste hout mee te nemen wat er te vinden was. Er werd gefluisterd dat er een schuilplaats was, waar Engelse piloten verstopt werden. Op 't Siblek (?) zouden zelfs Duitse deserteurs zitten.

Daarom moesten ze zorgen dat alleen vertrouwd volk mee ging. Manus kroop rond in het bs en hij vond een hut. Er lag gereedschap onder het blad. Later kwam Berend van 't Leemkoel (BJ Dickmann) en nam het gereedschap mee. "Tommies?", vroeg Manus. Berend knikte. "Ze zijn goed weggekomen, ze hebben maar een paar nachten hier geslapen."

Verderop vond Manus een tweede schuilplaats. Daar hadden pas nog mannen geslapen. Er lagen dekens. Het was groot genoeg voor 6 man. Bijenhof kende de schuilplaats. Hij wist te vertellen dat daar jongens uit de buurt sliepen, die niet wilden graven. (de gebroeders Hulstijn, Boerman en Boerman).

We besloten daar geen hout te halen, hoe minder mensen de schuilplaats zagen hoe beter.

De stelling schoot niet op. Küske schold op alles en iedereen. De stellingen bij Denkers (Lankhorsterstraat) waren al veel verder gevorderd. De houtploeg werkte te langzaam en de plaggenstekers ook. Küske wees naar Evert van de Runneboom, die al drie kwartier roerloos op zijn schop leunde. Manus verdedigde hem: "Hij kan er niets aan doen. Hij is al een ijd ziek. Het is een schande dat hij moet graven."

 

Weer hoorde de Duitser vliegtuigen. Dat was gevaarlijk, want als ze het paard en wagen in de gaten kregen, kon het gevaarlijk worden. Küske dook direct in een eenmansgat, maar het ging goed.

Later kwam de grootmajoor de stellingen inspecteren, al leek hij meer aandacht te hebben voor de hazen en patrijzen die zijn oppasser schoot. Hij had een lichtgrijze DKW. Die stond nog midden op het kruispunt toen er weer vliegtuigen kwamen. De majoor kende geen angst en reed gewoon in zijn auto weg. Hij wachtte op eieren, maar die kwamen niet.

 

8. Graafschapbode 15-11-47 no.133

 

De aanwonenden van 't Hoogenkamp kregen gelijk. Eind oktober begon de welle te werken en viel er regen. Op 1 november stond er 80 cm. water in de stelling. Een van de ondergrondse minutiekamers was ingevallen en de wanden van de Flakstelling zat vol waterbreuken. De gravers hadden er plezier in. Küske wist niet wat hij moest doen. Verder werken was gekkenwerk. De loopgraven naar de verste munitiekamers begonnen ook in te zakken. De Feldwebel foeterde dat er geen vlechtwerk langs gemaakt was. Over het geheel waren de stellingen slecht gemaakt. Toch moest het klaar, water of geen water, bevel was nu eenmaal bevel.

Op een morgen werden de loopgraven afgedamd en met gierpompen en aaltscheppers zoveel mogelijk droog gemaakt. Na een paar dagen was het klaar en moesten we weer naar Bronkhorst.

Daar waren de 'Hoogenkampers' niet blij mee. Het was een heel eind elke dag. Het weer werd ook slechter (november '44 constant regen). De wegen waren stil en werden deur de Jabo's geregeld schoongeveegd. Daarvoor (24-10-44) waren de wagens, die de Hengelose gravers van het werk naar huis brachten, met boordwapens beschoten. Dat was op het kale stuk tussen Den Bremer en Steenderen geweest. Eén van onze kameraden die plat in het weiland was gaan liggen werd geraakt en doodgeschoten (Willem Meenink, geb. 23-01-28). Het paard van één van de voerlui (HG Polman, Banninkstraat 5, vader van Cees en Jan) lag zwaargewond voor de wagen en moest afgemaakt worden.

Achteraf kwamen de Hogenkampers erachter dat ze eigenlijk een hondenleven hadden gehad. In Bronkhorst werd helemaal niets uitgevoerd. In de 3,4 weken dat wij er niet geweest waren was er vrijwel niets gebeurd. De eerste loopgraven waren nog slechter geworden. Het kribwerk hadden ze er weer uit moet halen, omdat het weer te breed of te smal was voor de zoveelste keer.

De arbeidsleider in Bronkhorst was Tschampel. Hij had altijd een glimlach en een pleister in de nek. Tschampel was leraar. Hij had meer aandacht voor de mooie Gotische kerken in de omgeving dan voor het graven. Het kon hem niets schelen of er gewerkt werd. Hij had ook een hekel aan de Polakken.

De fietsploeg kwam rond tien uur. Ze gingen eerst een uurtje kaarten in een schuur, totdat Tschampel kwam. Dat was meestal rond 11 uur. Tot 12 uur werd er iets gedaan. Soms pakten ze om drie uur weer de kaarten en daarna gingen ze weer naar huis.

Andere Todts zeiden er wel iets van, waarschuwden voor de Kreisleitung, maar Tschampel trok zich er niets van aan.

Een keer werden een stel kaarters betrapt. Zij zaten op een hooizolder stiekem te kaarten. Toen een Todt toevallig een fluim pruimtabak op zijn hoofd kreeg kreeg hij argwaan. Het liep met een sisser af.

 

Zelfs voor stelen leek Tschampel begrip te hebben. "De Hollanders werkten beter 's nachts dan overdag", zei hij weleens. Behalve de rollen puntdraad die 'per ongeluk' in de IJssel rolden, ging er ook heel wat de andere kant op: hamers, knijptangen, bijlen, schoppen, spijkers, krammen etc. De Todts scholden wel, maar ze hebben nooit echt iets ondernomen. Het was niet moeilijk geweest om er enkelen te betrappen en naar een kamp te sturen, maar dat is nooit gebeurd.

Het saboteren van het werk ging door. Bij het draad knippen werden in plaats van bij 8 armlengtes de draad doorgeknipt bij 4 armlengtes, zodat de draden de helft tekort waren. Bij het palen inslaan werden palen die er al stonden weer uitgehaald. Als een Todt er wat van zei, werd gezegd dat ze het niet goed verstaan hadden (zeker bij Hahnauwer).

Eens kwam A.H. Lurvink, kapper Kerkstraat 12 Keijenborg, als een Engelse gentleman aangelopen. Hij had handschoenen aan en een glimmende wandelstok bij zich. Zo liep hij tot wanhoop van de Duitsers in de loopgraven. Daar werd veel om gelachen.

Toen begon het water te wassen. De Bakerwaard liep onder. Tankgrachten, loopgraven en andere stellingen kwamen vol water te staan. Toch moest er doorgewerkt worden.

 

 

9. Graafschapbode 22-11-47 no. 136

 

Wij zaten bij de houtploeg in het Baakse bos. Een ander gedeelte was aan het werk bij de Bonte Koe, een hoog gelegen gedeelte tussen Bakerwaard en Bronkhorst. Daar was Engel de baas. De Emmerikseweg lag dikwijls onder vuur van de Jabo's. Vaak ratelde het lichte afweergeschut, maar nooit hebben we gezien dat er een vliegtuig werd neergeschoten. Af en toe klonken er harde knallen, waar het trommelvlies bijna van scheurde. Dat kon je precies aan voelen komen. Eerst voelde je een schok door de grond en dan kwam het. Een knal waar je bijna van ondersteboven ging. Dit was het werk van het Sprengcommando. Ze maakten een geul rond een modderpoel met dynamiet.

 

In het Baakse bos werkte 140 man. Het ging daar als overal. Ze werkten voor nog geen 25 man. Zo gauw de spellen kaarten 's morgens opgeborgen werden, verdwenen velen in het bos. De meesten zochten hun heil bij boeren achter de kachel. Of ze zaten in alle mogelijke kippenhokken en schuurtjes te kaarten. Tot de Todts een drijfjacht hielden. Meestal kregen de kaarters een seintje, maar soms kwamen er wel eens wat in het nauw.

Eens moest Manus een Todt naar een boerderij brengen, hij moest nodig naar de wc. Daar waren natuurlijk kaarters. Een was er gevlucht naar de wc. De deur zat op slot en ging niet open. De Duitser kon niet langer wachten en ging het bos in. Iemand met lange rood haar bleek vast te zitten in het raam..

Hij werd losgetrokken en snel in het bos verstopt, vordat de Duitser terug kwam.

Er is nog veel meer gebeurd in het Baakse bos, maar niet alles kan verteld worden (niet iedereen even zuiver??).

Voor de stropers was het Baakse bos een geschikte plaats. Een ploeg ving op een dag meer dan 60 konijnen. 15 tot 20 was heel gewoon. Toen de Todts dat in de gaten hadden wilden ze hun deel. De Baakse en Hengelose Todts kregen er onderling ruzie over.

 

Op een morgen gingen we naar Wichmond. Het water stond daar net zo hoog als de weg. Daar moesten ze wachten, er waen ook SS-ers bij. Menigeen vertrouwde het niet en kneep er tussen uit. Later sloten ze zich weer aan bij andere groepen.

Manus had het wel gezien en ging naar de dokter. Van hem kreeg hij een attest en hij mocht thuisblijven.

De eerste dag thuis liep hij in de straat. Prompt zag hij commandant Henckel aanrennen. Hij liep de Kastanjelaan uit, dwars over de Banninkstraat, de Korte Banninkstraat in.

Dat was niet veel meer dan een veldweggetje, waar vrijwel geen huizen aan stonden. Manus begreep dat hij achter iemand aan zat. Opeens pang, pang. Henckel had zijn revolver getrokken en schoot. Hij was op zoek naar een Australische piloot. Die nacht was een vliegtuig neergeschoten. Drie piloten waren gevlucht. Henckel kreeg hem niet en ging naar het gemeentehuis om opdracht te geven een zoekactie op touw te zetten.

Een schilder die in de straat woonde had alles gezien. Het bleek dat Henckel achter een negertje had gezeten; een koffiebruin Javaantje dat op 't Kervel in pension was.

Een klein kereltje, maar toch al tegen de twintig. Hij liep vaak door het dorp en iedereen kende hem als het negertje van 't Kervel. Henckel had hem voor een 'feindliche Flieger' aangezien.

De schilder ging gauw naar het gemeentehuis om te voorkomen, dat ze het hele Kervel overhoop haalden. Dat was gevaarlijk, want 't Kervel had grote geheimen in die dagen (meer daarvoor eigenlijk). Henckel liep even later gerust door de straat, 't Kervel werd met rust gelaten.

 

Drie maanden bleef Manus thuis. Toen moest hij voor een dokter van de Todts verschijnen, ene Cornelius, mogelijk een Belg. Hi moest weer licht werk doen.

Een week werkte manus in het bos op 't Klooster in de groep van Krautzig. Deze Todt zag het donker in. Hij klaagde dat de Duitsers geen olie en benzine meer hadden.

We waren bang dat hij zichzelf met een revolver door het hoofd zou schieten, hij was altijd in gedachten. Gelukkig gebeurde dat niet, want dan hadden de gravers de schuld gekregen.

 

Veertien dagen later namen de Todt de benen. Zaterdags voor Pasen (31 maart) zagen we de laatsten. Ze reden gebogen, met de karabijnen aan de fiets in oostelijke richting. Geen mens weet wat er van hen is terecht gekomen.

 

1-6-48 Morsink"

 

 Home