OLD HENGEL

 

De historie van Hengelo Gld

 


 

TWEEDE WERELDOORLOG

 

Graf in Vorden houdt herinnering levend aan drie van de vele slachtoffers

Vorden – Op een rustige plek op een al iets ouder gedeelte van de algemene begraafplaats in Vorden ligt een eenvoudig graf. Een plaat vermeldt de namen van degenen die hier hun eeuwige rust vonden: Albertus Bos uit Doetinchem, Bernard Luimes uit Hengelo en Anton Remeijer uit Deventer. De drie mannen stierven practisch gelijktijdig op een avond in oktober 1944. Geëxecuteerd door de Duitsers in de tuin van Huize Zeldam aan de Zutphenseweg, na daar gruwelijke martelingen te hebben moeten doorstaan. Wat hadden deze mannen misdaan? Niets anders dan dat zij weigerden hun geloof in en trouw aan Jehova af te zweren.

Het graf van de drie mannen herinnert aan een tijd waarin vrijheid geen vanzelfsprekend begrip was in ons land. Zeker ook niet geestelijke vrijheid. Velen leden onder de terreur van de Duitse bezetter, die alles bestreed dat niet strookte met de nazi-opvattingen. Politieke partijen waren verboden, kerkgenootschappen werd het op tal van terreinen moeilijk gemaakt. Maar geen enkele groepering. Zelfs de communisten niet, had het op grond van geloof of levensovertuiging zo moeilijk als de Jehova’s Getuigen. De vervolging van deze relatief kleine groep was even stelselmatig als die van de joden en zigeuners. En de felheid ervan nam alleen maar toe door de standvastigheid van de jehova’s Getuigen, die weigerden een andere heer te dienen dan God (Jehova) en onverbloemd over het nazisme als een duivels kwaad.

In de loop der oorlogsjaren belandden honderden Nederlandse Jehova’s getuigen in gevangenissen of concentratiekampen en tientallen hebben het niet overleefd. Hoewel ze in veel gevallen eigenlijk tamelijk gemakkelijk vrij hadden kunnen kom,en: het ondertekenen van een briefje dat ze hun geloof afzwoeren was vaak al voldoende. De meesten weigerden.

 

Onderduiken

Gevolg van die standvastigheid was wel, dat de Jehova’s Getuigen hun predikwerk in het geheim moesten doen en dat velen gedwongen waren onder te duiken. En het was in feite zo’n onderduikverhaal, dat leidde tot het drama in de tuin van het Zeldam. Het verhaal van Evert Kettelarij.

In de zomer van 1944 was Evert achttien jaar. Eén van de vijftien kinderen in een boerengezin in de Vordense buurtschap Linde. Een verscheurd gezin. Vader Kettelarij was lid van de NSB, drie van Everts broers dienden in de WA van Mussert en een vierde broer vocht met de Duitsers mee in de Waffen-SS. Moeder daarentegen was overtuigd Jehova’s Getuige, evenals twee van Everts zussen en een oudere broer. Ook Evert voelde zich aangetrokken tot het Wachttorengenootschap. In verband met zijn jeugdige leeftijd was hij nog geen lid. Wel volgde hij Bijbellessen en geloofde hij vurig in Jehova’s boodschap. Die er in zijn situatie vooral uit bestond, dat hij op geen enkele wijze het kwaad (de Duitsers) zou mogen dienen. Gelukkig kon hij aan de (verplichte) tewerkstelling in Duitsland ontkomen, door als boerenknecht te gaan werken voor een (NSB-)boer in de omgeving. Een betrekkelijk rustig leven leidde hij. Maar Evert Kettelarij, nu 73 en woonachtig in Zaltbommel, herinnert zich als de dag van gisteren hoe zijn leven in één klap volledig veranderde. “Dat was toen ik een oproep kreeg om te komen werken aan Duitse verdedigingslinies. Dat kon ik niet met mijn geloof verenigen. Dus besloot ik onder te duiken.” Een week lang verbleef Evert op een schuiladres, ergens in de buurt van Hengelo. Daar bereikte hem op zeker moment via zijn zwager Bernard Luimes het bericht, dat hij veilig naar de boerderij kon terugkeren. Kettelarij: “Maar intussen had de boer mijn weglopen in Vorden op het gemeentehuis in Vorden gemeld. En burgemeester Lameris, dat was een schoonzoon van de oud-minister en NSB-gemachtigde Posthuma (in 1943 op grens Ruurlo/Vorden/Hengelo door verzetsmensen gefusilleerd), had de SD al gewaarschuwd. Ik was nog geen twee uur terug op de boerderij of daar kwamen de Duitsers al. Ik zat koffie te drinken in de keuken en kon geen kant uit.”

Uiteraard wilden de SD’ers weten, waarom hij een week lang ondergedoken was geweest. Evert werd door de Duitsers meegenomen naar huize Zeldam in Vorden, waar in die dagen het hoofdkwartier was gevestigd van de SD-afdeling Strijd tegen het Geestelijk Verzet. Maar eerst wilden de Duitsers nog langs Everts zwager Luimes in Hengelo, omdat ze vermoedden dat die wel medeplichtig zou zijn geweest aan het onderduiken van Evert. Aan de Ruurloseweg in Hengelo troffen ze niet alleen Luimes aan, maar ook twee mede-getuigen Bos en Remeijer, die daar toevallig op bezoek waren. Alle vier mannen werden afgevoerd naar Vorden.

 

Verhoren

Commandant van de SD-eenheid in Vorden was Ludwig Heinemann, een 33-jarige SS-Untersturmführer, die later bekend werd als de ‘Beul van Zutphen’. Heinemann zelf leidde de verhoren van de vier gevangenen. Daarbij ging het er niet zachtzinnig aan toe. Kettelarij: “Hij wilde van me weten waar ik ondergedoken had gezeten. Ik hield vol dat ik de namen van die mensen niet kende. Maar iedere keer als hij niet het antwoord kreeg waarop hij wachtte sloeg Heinemann me met zijn wandelstok links en rechts keihard tegen het hoofd. Dat ging zo de hele middag door, maar met tussenpozen waarin ik werd opgesloten in een gebouwtje op zo’n vijftig meter afstand van het gebouw. Daar kon ik nog het geschreeuw horen van mijn metgezellen, die blijkbaar nog harder werden aangepakt.

De laatste keer dat ze me kwamen halen zag ik in de kamer van Heinemann mijn zwager hevig bloedend op de grond liggen. Ze begonnen mij weer te ondervragen en te slaan. In een uiterste krachtsinspanning zei ik nog: Ik sterf liever dan dat ik wat zeg. Maar ik was aan het eind van mijn Latijn. Ik kon slechts God bidden dat hij niet tot boven mijn krachten zou beproeven.”

Plotseling gaven de Duitsers het op en Kettelarij werd afgevoerd naar de gevangenis van Zutphen. Na een week in de gevangenis werd Kettelarij afgevoerd naar Duitsland, waar hij de rest van oorlog als boerenarbeider te werk werd gesteld. De drie andere mannen verging het veel slechter. Zij bleven weigeren de vragen van Heinemann te beantwoorden. Tot deze er tenslotte genoeg van kreeg en zijn mannen een kort bevel gaf: “Umlegen!” Het drietal werd in de tuin met machinegeweren neergemaaid. Een graf werd hen niet gegund. De Duitsers gooiden de lijken in een kuil en bedekten die met zand en bladeren. Pas acht maanden na de bevrijding werden de stoffelijke resten ontdekt en herbegraven op de Vordense begraafplaats. Hun graf staat onder toezicht van de oorlogsgravenstichting.

 

Door Jan Buter – De Gelderlander 2003

 

 

 

 

 


Home