OLD HENGEL

 

De historie van Hengelo Gld

 


 

TWEEDE WERELDOORLOG

Neergestort, ontsnapt en verraden

Twee Achterhoekers gefusilleerd na hulp aan piloten

 

Op de avond van de 6e september 1941 om 21.00 uur stegen er vanaf de basis Wyton in Engeland zeven grote bommenwerpers op van het 15e B.Squadron. Het waren de betrekkelijk nieuwe vier-motorige Short Stirlings, de trots van de Royal Air Force. Enorme toestellen (niet voor niets “Vliegende Forten” genoemd) van 35 meter lang en een vleugelwijdte van 42 meter! De bommenlast bedroeg per toestel 11 x 500 pound bommen. Aan boord van een van deze vliegtuigen bevonden zich de hoofd­rolspelers van ons verhaal. Het doel van alleen deze bommenwerper was een van de hoofdkwartieren van Herman Goering’s luchtverdediging in Berlijn.

De bemanning bestond gedeeltelijk uit ouwe rotten in het vak namelijk: piloot Captain Wallace Tarry; navigator en bommenrichter Richard Pape; technicus/boordwerktuigkundige Jock Moir en de volgende nieuwelingen die behalve de radiotelegrafist allemaal de boordwapens bemanden: Sgt. Harper, Sgt. Aynsley, Sgt. Hooley, Sgt. Dodd en Sgt. Dunnet. Boven Berlijn konden ze rekenen op hevige luchtafweer en de angstdroom kwam helaas uit. Na het afwerpen van de bommenlast op het doel werd de Short Stirling op de terugweg gevangen in de bundels van zoeklichten en door een granaat getroffen in de rechter buitenmotor.

Het toestel ging gevaarlijk scheef hangen en Wallace Tarry moest een zeer gewaagde duikvlucht maken om uit de verschrik­kelijke lichtbundels te kunnen ontsnappen. Na een duizeling­wekkende val van het toestel kreeg de piloot hem weer onder controle en werd de schade opgenomen. Door de snelheid van de duikvlucht was de brandende motor als het ware geblust. Echter het grootste deel van de 1600 liter brandstof was verloren gegaan en de piloot constateerde vervolgens dat de Engelse kust niet meer bereikt zou worden. Het gevecht om zover mogelijk weg te komen van Nazi-Duitsland begon. Alle overtollige ballast werd uit de bommenwerper gegooid waaronder ook de boordmitrailleurs en bijbehorende munitie. Op zich een enorme gok, want nu waren ze volkomen overgeleverd aan de Duitse nachtjagers. Dit waren snel wendbare jachtvliegtuigen en de schrik van de logge bommenwerpers. Navigator Pape kreeg van piloot Wallace Tarry opdracht om de kortste koers uit te zetten naar de zee om daar eventueel een noodlanding te maken.

Doordat de bommenwerper op drie motoren moest vliegen werden deze motoren overmatig belast en het duurde niet lang voordat de tweede motor de geest gaf. Er bleven nog twee motoren over, die het ook steeds moeilijker kregen. Na nieuwe berekeningen van de boordwerktuigkundige Moir en navigator Pape kwam de oostelijke kustlijn van het IJsselmeer in zicht waar nu Flevoland ligt. Er werd gehoopt op een buiklanding op het water, omdat dat de meeste kans gaf op een goede redding. Toen was het moment aangebroken dat de laatste twee motoren stil vielen en het grote vliegtuig op zweefkracht verder moest. Captain Tarry gaf zijn bemanning opdracht om het vlieg­tuig te verlaten per parachute zolang dat nog kon. Slechts twee man deden dat; de andere zes gingen mee met de captain, het onbekende tegemoet...

Na nog bijna het dak van de N.H.-kerk van Hengelo geraakt te hebben gleed het toestel tenslotte over het land en het kontakt met de aarde was gemaakt. De bemanning wist op dat moment niet waar ze zich precies bevonden, alleen dat het in Neder­land moest zijn. Vlakbij boerderij De Rustenberg aan de Varsselscheweg bij Hengelo lag het vliegtuig en de bemanning begon langzaam te herstellen van de enorme klap. Ze namen de schade op en pleegden eerste hulp waar nodig. Toen beval Wallace Tarry om alles wat informatie bevatte of van interesse kon zijn voor de Duitsers kapot te slaan en te verbranden. Vooral de fotocamera en het bommen­ichtapparaat.

Direct na de klap van de bommenwerper tegen een boom werd de familie Enzerink van De Rustenberg opgeschrikt. Vader en dochter gingen naar buiten. Ze zagen diverse bebloede piloten uit het wrak kruipen en gingen aanstonds verbandmiddelen halen. Ze hielpen de bemanning zo goed mogelijk. Uit het toestel bemachtigden ze, voordat de Duitsers kwamen, nog een staaflantaarn. Deze is tot een verhuizing bewaard gebleven.

Opeens flitste er drie rode lichtkogels door de lucht. De Duitsers hadden ontdekt dat er een vijandige bommenwerper was neergestort. De bemanning besloot te gaan vluchten en zo scheidden de wegen van de bemanning zich in allerlei richtin­gen. Ze gingen uiteen. Pape en Moir besloten samen te gaan vluchten en kropen erg lang door greppels en sloten om maar zo onopvallend mogelijk en zover als maar kon van het vliegtuig weg te komen. De overige vier gingen ieder hun eigen weg. Een piloot kwam op een gegeven moment aan de andere kant van het dorp Hengelo terecht en zag bij een boerderij twee mannen aan komen. Het waren de broers Bernard en Hendrik Luesink van de Bruinderinkweg. De broers waren op weg naar het Broek om te gaan melken en keken verrast op toen ze om kwart over vijf 's morgens al een vreemde zagen. De piloot droeg een witte trui over zijn arm en trad de broers tegemoet.

In het Engels probeerde hij uit te leggen wat hij wilde, maar dat begrepen de broers niet. Uiteindelijk lukte het met gebarentaal om duidelijk te maken dat hij piloot was en 's nachts om ca. 4 uur was gecrashed. Goede raad was duur en Bernard en Hendrik besloten om hun vader wakker te maken, waarna zij gingen melken.

Vader Luesink, die ook geen Engels sprak, verborg de piloot in de zaadschuur en fietste naar Hengelo om Jan Schuurman, de zoon van de politieagent, erbij te halen. Jan ging mee, maar kon, eenmaal bij de piloot aangekomen, ook niet veel meer doen dan de Luesinks. Vervolgens werden Geertsema, de directeur van de zuivelfabriek en Van Suntenmaartensdijk (in de volksmond "Maartensdijk"), de politieagent, gewaarschuwd. Om vooral geen aandacht te trekken droeg Maartensdijk over zijn uniform een gewone lange jas en op zijn hoofd een normale hoed.

 

Toen de beide broers terugkwamen van het melken zagen ze de fiets van Geertsema staan met tasjes eraan. Het gezel­schap zat in huis en ze hebben de piloot wat brood voor gezet. Schijnbaar niet goed genoeg, want ervan eten deed hij niet. Na wat moeizaam gepraat tussen Geertsema en de piloot werd beslo­ten dat het beter was, dat de piloot zich zou aangeven om verdere risico's voor de bevolking te beperken, want op pilotenhulp stond de doodstraf. Hendrik Luesink werd naar Hengelo gestuurd om de politiepet van Maartensdijk te halen. Met de piloot werd afgesproken dat de agent hem in het veld iets verderop zou arresteren alsof ze elkaar niet kenden en dan over te dragen aan de Duitsers.

Aldus geschiedde. Eenmaal aangekomen op het gemeentehuis namen de Duitsers de piloot met veel wapenvertoon over van Maartens­dijk. Deze reageerde hierop door tegen de Duitsers te zeggen, dat hij de piloot met blote handen had aangehouden en dat hij welwillend was. Een Duitse officier constateerde korenaren op de kleding van de piloot en eiste een verklaring. Maartensdijk antwoordde dat hij door een boer was gewaarschuwd dat er een vreemde kerel in zijn zaadschuur zat en dat die kerel, de piloot dus, was gaan vluchten toen de agent in uniform eraan kwam. Waarna hij vervolgens was aangehouden door Maartensdijk.

De officier accepteerde het verhaal en de piloot werd onder grote publieke belangstelling overgebracht naar Hotel Langeler waar de Duitsers ingekwartierd waren. Bij het passeren van het postkantoor zag de piloot in de menigte vader Luesink staan en knipoogde nog naar hem. De mensen waren onder de indruk van de grote piloot en er werd gezegd dat hij wel net zo groot was als Hendrik van Stenderink. Uit de verhoren die later door de Duitsers bij Langeler werden afgenomen bleek dat het ging om Flight-Luitenant Wallace Tarry, de Captain-piloot van de Short Stirling. Hij heeft de oorlog verder doorgebracht in krijgsgevangenkampen.

Een tweede piloot had na diverse omzwervingen de nacht doorgebracht in het "Kattenbos" aan de Koningsweg. In de vroege ochtend ging deze piloot naar de boerderij van Hendrik Arendsen iets verderop. Hij werd opgevangen en kreeg te eten, wat hem blijkbaar goed smaakte, want hij kreeg er maar niet genoeg van. B.`Harmsen, de overbuurman, werd erbij gehaald en die bracht Tjeerd Dorgelo mee, die bij Harmsen stage liep. Deze Tjeerd kon wat Engels, aangezien hij zoon van het schoolhoofd was. Na aan de piloot uitgelegd te hebben waar hij zich pre­cies bevond en hoe ver hij nog van de kust was, zag deze een verdere ontsnappingspoging niet meer zitten en hij besloot zich over te geven aan de Duitsers. En zo eindigde zijn ont­snappingspoging uiteindelijk bij Hotel Langeler, alwaar hij door Hendrik Arendsen aan de Duitse staf werd overgedragen. Diezelfde ochtend had G.J. Denkers tijdens het melkrijden al verhoogde aktiviteit van de Duitsers geconstateerd. Hij was al diverse patrouilles van vier soldaten tegengekomen en gepasseerd. Juist toen hij een patrouille goed en wel voorbij was kwam hem om ca. 8.30 uur een grote kerel vanuit de sloot tegemoet lopen. Dit was ter hoogte van Walgemoed aan het begin van de Lankhorsterstraat. De piloot klom bij Denkers op de bok van de wagen en wilde zijn overal en naar het leek zijn mitrailleur in de wagen leggen. Denkers kreeg het met die Duitsers vlak achter hem benauwd en maakte met gebarentaal duidelijk dat er Moffen in de buurt waren en stuurde hem richting Vordenscheweg. Daar verdween de piloot aan de overkant in de sloot en Denkers ging richting Hengelo. Bij Harmsen Reerink aan de Vordenscheweg werd Denkers ingehaald door een Duitse overvalwagen. Toen deze voorbij reed zwaaide van achteruit de bak de piloot naar Denkers en zo eindigde een derde vluchtpoging. Nadien ontdekte Denkers dat in de voerkist van zijn paardewagen nog de overal van die piloot lag.

Richard Pape en Jock Moir waren gezamenlijk op pad gegaan en voldeden zo aan hun plicht om alles te doen om gevangenneming te vermijden. Terwijl ze door greppels en sloten kropen, voel­den ze de druk van de zoekende Duitsers toenemen. Zo nu en dan klonken schoten door de nacht en op een gegeven moment schoten er drie groene lichtkogels door de nacht; de Duitsers hadden het toestel gevonden. Na een paar uur zwoegen zagen de piloten tussen een paar bomen een vervallen hutje dat er niet erg aantrekkelijk uit zag. Bij nader onderzoek bleek het bewoond te zijn, want een hond aan een ketting ging enorm tekeer. Zich bewapenend met de eerste de beste wapens, in dit geval een stuk metalen pijp, stonden de piloten met de rug tegen de muur te wachten op wat komen zou.

Op een gegeven moment draaide de krakkemikkige deur heel langzaam open en stak een oude vrouw vliegensvlug haar hoofd naar buiten om daarop net gemist te worden door de metalen pijp in de hand van Pape. Nog sneller ging het hoofd weer naar binnen. Juist voordat de oude vrouw de deur kon sluiten stak Pape zijn gewonde hand ertussen. De vrouw gilde als een bezetene en trok met ongelooflijke kracht aan de deur, waardoor de pijn in de hand van Pape niet meer te dragen was. Moir schoot te hulp en de deur werd opgetrokken door de piloten. De oude vieze vrouw stond inmiddels tegen de achterste wand van het vieze hutje. Het stonk er enorm en de vrouw begon opnieuw te krijsen, waardoor de hond ook weer begon te blaffen. Instinctief wilde Pape de vrouw uitschakelen om de kans op verraad te verkleinen. Terwijl hij de hals van de oude weerloze vrouw dichtkneep kwam hij tot bezinning. De dood van deze vrouw zou hen niet helpen.

Moir had intussen wat te eten gevonden en de verwondingen werden opnieuw verbonden. Opeens dreunden er vrachtwagens over de weg en de piloten schrokken enorm. Gelukkig was de oude vrouw tot rust gekomen en probeerde niet om de aandacht van de Duitsers te trekken. Gedurende het verblijf van de piloten in de oude hut denderden er drie maal Duitse voertuigen over de weg en telkenmale moesten ze de oude vrouw in toom houden. Na wat aangesterkt te zijn ging Moir naar buiten en hij con­stateerde dat de Duitsers gevaarlijk dichtbij kwamen. Ze moesten verder en snel. De oude vrouw was blij dat ze vertrok­ken, dat was duidelijk. De beide piloten renden in gebukte houding langs een soort heg. Aan het einde van de heg lag een stuk vlak terrein, waar geen beschutting was. Nu werd het gevaarlijk, want als ze over dat terrein gingen zouden ze in het zicht van de patrouilles komen met alle gevolgen van dien.

 

In de verte stonden een paar groepjes bomen, die zo te zien wel beschutting boden. Via een soort greppeltje kwamen de beide Engelsen halverwege het vlakke terein zonder opgemerkt te worden. De laatste paar honderd meter was alles of niets. terwijl ze op goed geluk richting bomen renden klonken er verderop geweerschoten. De oude vrouw had alarm geslagen. De piloten verscholen zich in een grote struik en doorstonden twee keer een controle van de Duitsers in het bosje. Klompenmaker Willem Branderhorst had de piloten gezien toen hij aan het houthakken was. Hij deed alsof hij de piloten niet zag en wachtte tot de avond. Toen waren de Duitsers vertrok­ken. Hij ging naar het bosje en doorkruiste het een paar maal luidruchtig rammelend met metalen drinkbusjes. De piloten wisten niet wat te doen. Misschien was het een truc van de Duitsers. Pape besloot kontakt te maken en Moir bleef op zijn hoede. Het was goed volk en de piloten genoten van de woorden "Winston Churchill" die Branderhorst uitsprak. Ze gebruikten de maaltijd en het drinken met veel genoegen. Zelfs een slok jenever en sigaren had de klompenmaker meegebracht. Branderhorst vertelde dat na het tumult bij de oude vrouw de Duitsers alle bewoners in de directe omgeving hadden opgepakt en hadden verzameld in een schoollokaal te Hengelo. De Duitsers hoopten zo informatie te krijgen over de verblijfplaats van de piloten. Deze aktie bleef echter zonder resultaat. Ook het zoeken in de omgeving leverde niets op en toen lieten de Duitsers alle buurtbewoners weer gaan. De klompenmaker gaf de piloten een routebeschrijving naar een plek waar ze geholpen konden worden en bij kontakt met de helpers moesten de piloten het wachtwoord "Churchilldagen" noemen. Vervolgens nam Branderhorst afscheid.

Na een gewaagde tocht en diverse Duitse patrouilles getrotseerd te hebben kregen de piloten het idee dat er iets fout was gegaan, want ze konden het bos met de dennen niet vinden, waarheen de houthakker hen had gestuurd. Plots hoorden ze schuifelende voeten en ze hielden zich doodstil. Vlak voor hen stond Gert Jan Goossens die op weg was naar zijn zwager iets verderop. Alle drie schrokken ze van elkaar, maar toen Pape het woord "Britten" zei en "Engelse Flieger" begreep Goossens dat het hier ging om de door de Duitsers gezochte piloten. Goossens besloot de Engelsen mee te nemen naar zijn zwager Bernard Besselink aan de Reigersvoortseweg (gem. Steenderen). Die middag hadden ze in de school in Hengelo nog gesproken met elkaar wat ze zouden doen als de piloten bij hen aan zouden kloppen. Bernard Besselink had toen gezegd dat hij deze Engelsen absoluut zou helpen. Toen Goossens bij zijn zwager binnenkwam was hij nog spierwit van opwinding en hij deed zijn verhaal met de mededeling dat de twee piloten buiten voor de deur stonden. Besselink en zijn vrouw hielden hun woord en zeiden tegen Goossens dat hij de piloten kon binnenlaten na eerst de omgeving te controleren. Ook hier werden de Achterhoekers geconfronteerd met de taal­barrière, maar eten en drinken behoefden geen nadere uitleg. Ook de wonden werden opnieuw verbonden. Nadat de piloten weer een beetje "bij bloed" waren gekomen, werden ze ondergebracht in de naast de boerderij staande kapschuur. Tussen het hooi en stro was goed te slapen. De daarop volgende dagen wisselden ze iedere nacht van slaapplaats om ontdekking door de nog steeds actief zoekende Duitsers te minimaliseren. Toen na een dag of drie de rust was wedergekeerd mochten de piloten zelfs in een klein kamertje in het huis slapen en het mooiste was een echt bed.

Inmiddels hadden de Besselink's contact opgenomen met hun buurman Jan Agterkamp. Hij was ambtenaar ter secretarie in Steenderen geweest en was inmiddels een bekwaam journalist. Hij beheerste ook de Engelse taal. Dit maakte het communiceren een stuk eenvoudiger en Jan Agterkamp liet de piloten zien op een landkaart waar ze zich bevonden en hoe ver ze van de kust verwijderd waren. Ook nam hij hen een verhoor af om er zeker van te zijn dat ze niets met de Duitsers te maken hadden. Toen ze ervan overtuigd waren dat alles in orde was nam Jan Agterkamp contact op met een collega in Amsterdam van wie hij dacht dat deze wel kontakten had in de ondergrondse. Jan Agterkamp kwam terug met goed nieuws uit de hoofdstad. Hun poging om de piloten naar de kust te krijgen kreeg gestalte. Een paar dagen later meldde zich ene "Peter" en toen deze ook overtuigd was van de Engelse piloten werd het plan tot de evacuatie van Pape en Moir in werking gezet. Na tien dagen goed onderdak vertrokken de piloten per fiets van de boerderij van de familie Besselink naar Zutphen en vervolgens voor een riskante treinreis naar Amsterdam. Na een paar dagen in Amsterdam ging de tocht naar Laren (N.H.), vervolgens naar Leiden, waar de beide piloten en hun ondergrondse helpers werden gearresteerd door de Duitsers. Zware verhoren volgden en uit de informatie, die de Duitse Sicherheitsdienst al had, bleek dat er binnen de verzetsgroep (o.l.v. Edouard de Nève) verraad was gepleegd.

Dit verraad resulteerde in de gevangenneming van Besselink en Agterkamp en ook nog zes van de ondergrondse helpers. Zoals bekend werden Besselink en Agterkamp en twee personen van de verzetsgroep op 17 november 1941 gefusilleerd in de duinen bij Bloemendaal. De andere vier verzetsmensen werden in gevangen­schap genomen in diverse kampen in Duitsland. Na de oorlog keerden drie van de bovengenoemde vier terug; de ander was overleden aan T.B.C. Alle acht bemanningsleden van de Short Stirling N6045.U keerden na de oorlog behouden terug in Engeland.

Richard Pape beschreef zijn belevenissen na de oorlog in een boek getiteld: "Boldness be my friend" ("Met hand en tand"). Later kwam nog een vervolg dat niet in het Nederlands is vertaald (Sequel to boldness), waarin hij nog wat dieper ingaat op het verraad. Zo had de, in eerste instantie succesvolle, ontsnappingspoging, toch nog een zeer dramatisch einde.

 

Epiloog

En wat gebeurde er met de ca. 30 meter lange bommenwerper die bij de familie Enzerink op het land lag. Het toestel werd volledig afgeschermd voor het talrijke, nieuwsgierige publiek en er werd zelfs een jonge vent nageschoten die te dicht in de buurt kwam. Na tien dagen werd het toestel geborgen door een Belgische bergingsploeg welke in dienst was van de Luftwaffe. De leiding had Anton Glorieux en het toestel was van grote waarde voor de Duitsers, omdat het hier een vrij nieuw type vier-motorige bommenwerper van de R.A.F. betrof. Het toestel werd ontmanteld, op wielen gezet en vervolgens dwars door het dorp Hengelo afgevoerd naar Zutphen, waar het op de IJsselkade nog enige dagen stond. Tenslotte werd het per schip afgevoerd naar het Zerlege-Betrieb Utrecht alwaar het voor technisch onderzoek werd gede­monteerd. Dat de Duitsers blij waren met de buit blijkt wel uit de bedankbrief van de Luftwaffeleiding.

Naschrift: Uiteraard waren niet alle bemanningsleden piloot, maar voor het gemak worden ze in dit verhaal zo aangeduid, ook omdat dat in de volksmond gebruikelijk was.

 

Richard Pape keerde in 1954 nog eens terug naar Hengelo en Steenderen om de monumenten en de families Enzerink, Besselink en Agterkamp nog eens te ontmoeten.

 

Bron: Oorlogsherinneringen (1995)

© W.J.M. Hermans, 2012

 

 

 

 

 


Home