OLD HENGEL

 

De historie van Hengelo Gld

 


 

OUDSTE GESCHIEDENIS (tot 1900)

ONDERWIJS voor 1800

 

 

De eerste schoolmeesters

Het begin van onderwijs in Hengelo Gld. gaat terug naar het einde van de 16e eeuw. Het graafschap Zutphen sloot zich in 1580 aan bij de opstandige gewesten onder Willem van Nassau, prins van Oranje, tegen de Spaanse bezetter, die geen ander geloof dan het rooms-katholieke tolereerde. De Staten van Gelderland namen nog in datzelfde jaar maatregelen ten aanzien van de R.K.-goederen in Gelderland. Deze kerkengoederen werden in beslag genomen en bestemd voor o.a. de tractementen van de predikanten en onderwijzers.

De zorg voor het onderwijs lag officieel bij de overheid; in Gelderland waren dat de Staten van het Vorstendom Gelre en graafschap Zutphen. Van deze Staten gingen er op dit vlak weinig wetgevende maatregelen uit, zodat de kerkelijke leiders hun stempel op het onderwijs drukten. Zo werd de aanstelling wel door de wereldlijke overheid gedaan, maar de predikant en de kerkenraad hadden vaak alle vrijheid bij de uitverkiezing van de onderwijzer. De kerk had daar alle belang bij, omdat hier de mogelijkheid lag om het nog niet gereformeerde volksdeel de kennis van de ‘ware religie’ bij te brengen.

Maar het zou nog geruime tijd duren voordat de hervorming in Hengelo vaste grond onder de voeten zou krijgen. De eerste predikant die we tegenkomen, Joh. Pael, bleek rond 1595 nog steeds rooms-katholiek te zijn. Zijn opvolger Daniel Swave, kreeg het in 1597 Spaans benauwd van de nog steeds door de Graafschap trekkende vijandelijke troepen en vluchtte. Op verzoek van de inwoners werd Joh. Pael weer beroepen, maar toen hij bleef weigeren de R.K.-leer af te zweren, werd hij ontzet uit zijn ambt.

Zijn opvolger Hermanus Brumanus, vroeg in 1604 (vgl. lijstje Schreuder!), aan de predikanten van de hervormde gemeenten in de classis Zutphen, om hem behulpzaam te zijn bij de aanstelling van een schoolmeester. Dit leidde pas in 1610 tot enig resultaat toen Gedeputeerden van graafschap Zutphen toestemming gaven tot het aanstellen van een schoolmeester en stelden hiervoor de benodigde gelden beschikbaar. Ze deden dit op verzoek van de inwoners van het kerspel Hengelo, die als schoolmeester Jan to Water op het oog hadden, de zoon van de koster. Jan kon dan ook het voorzangersambt voor zijn rekening nemen.

In het request van de inwoners werd op enige spoed aangedrongen omdat “desen jongen Jan to Water van sijnen dienst ende van ’t onderholt voor Paesche moest versekert sijn om sijne huijsholdinge daerna te schicken”. Op 29 maart 1610 kon Jan to Water als eerste schoolmeester zijn werkzaamheden opvatten.

De binding tussen de N.H.-kerk en de Staat was er oorzaak van dat er alleen gereformeerde onderwijzers aangesteld konden worden en dat het onderwijs niet strijdig mocht zijn met de leer van die kerk. Voor de katholieken betekende dit, dat als zij hun kinderen naar school lieten gaan, deze les kregen volgens de godsdienstige en maatschappelijke waarden van de gereformeerde kerk. Voor niemand was het overigens voorgeschreven een lagere school te bezoeken. Om er zeker van te zijn dat de onderwijzer een voorbeeld van een christelijke levenswandel zou zijn verplichtten de Gelderse Staten in 1593 alle onderwijzers op het platteland zich in zake de religie te laten examineren door een van de predikanten in een dichtbij gelegen stad.

 

Het schoolreglement voor het Gelders platteland van 1681 stelde eveneens het afleggen van een kerkelijk examen verplicht. Een tweede garantie vormde de handtekening van de onderwijzer onder de “formulieren van eenigheyt der Gereformeerde kercken”. Ook Jan to Water en later Jacobus van Vught zouden deze akte ondertekenen. Jan to Water zou zes jaar lang in Hengelo het schoolmeesters- en voorzangersambt bekleden, waarna hij naar Warnsveld vertrok. Vanaf november 1616 stond Gerrit Spall enige jaren voor de klas, mogelijk tussen 1620 en 1630 opgevolgd door Jan Gerritsen. Als tussen 1631 en 1637 Pieter to Ventenhorst benoemd wordt, komt het schoolwezen in Hengelo ruim anderhalve eeuw in handen van de familie To Ventenhorst/Van Vught. Dit omdat zijn opvolger Jacobus van Vught in 1665 met zijn dochter Fijcken trouwde. Deze Jacobus moet een ontwikkeld man geweest zijn, want de predikant schrijft hem in 1659 in als lidmaat en vermeld hierbij: “latijnsche meester en praeceptor alhier”, wat inhield dat hij les gaf in de klassieke talen. Dat was voor een plattelandsonderwijzer nogal bijzonder. Daar er voor 1795 nauwelijks aandacht werd besteed aan de vorming van de onderwijzer, hadden de meesten het zover kunnen schoppen dankzij wat extra aandacht van de onderwijzer waar ze zelf onderricht van kregen. Wellicht gaf Jacobus aan de kinderen van de gegoede burgers van Hengelo les in de klassieke talen.

Na Jacobus (1659-1690) stonden tot 1803 nog drie generaties Van Vught voor de klas, t.w. nog een Jacobus (1690-1736), Jan (1737-1769) en weer een Jacobus (1770-1803). De namen van deze onderwijzers zijn te vinden in de rekeningen van de Geestelijke goederen. De rentmeester vermeldde hierin de standplaats, de naam van de onderwijzer, het uitgekeerde bedrag en de periode waarover het bedrag werd uitgekeerd. Vele van deze rekeningen zijn verloren gegaan, waardoor het beeld niet compleet is. Zo is bv. niet geheel zeker wanneer Jacobus van Vught door zijn zoon met dezelfde naam werd opgevolgd, omdat in de notitie van de rentmeester vader en zoon niet onderscheiden werden. Na 1700 geven de notulen van de Hervormde gemeente houvast, waardoor benoeming en ontslag van de schoolmeester beter zijn vast te stellen.

Maar de opvolging van vader op zoon was niet altijd om kennis en kundigheid. Toen in de nacht van 15 op 16 september 1769 Jan van Vught kwam te overlijden stelde de predikant in januari 1770 de kerkenraad voor om het schoolmeesterambt voorlopig onvervuld te laten en wel om de volgende twee redenen: ten eerste om voorlopig van het vrijgekomen tractement de weduwe en kinderen van de overledene te ondersteunen en ten tweede om de oudste zoon van wijlen Jan van Vught niet alleen de tijd te geven om belijdenis te doen, wat hij wegens “onkunde” nog niet had gedaan, maar ook om: "nog all die delen en stukken meer en meer te leeren, ende verstaen, welke in een goedt en bequaam schoolmeester vereyst worden”. Het voorstel werd door de kerkenraad overgenomen en goedgekeurd. Een maand later werd besloten om de weduwe Jan van Vught de waarneming van het schoolmeesters- en voorzangersambt op te dragen met toekenning van het daarvoor staande salaris. Zij zou deze functie vervullen tot 1 augustus van dat jaar, de dag waarop haar zoon Jacobus zijn akte van beroeping ontving, nadat hij ten overstaan van de predikant en de kerkenraad zijn examen “in het lesen, schrijven, singen, rekenen en den gronden van den Christelijken Godsdienst” met goed gevolg had afgelegd. Jacobus werd opgedragen om van zijn tractement tevens zijn moeder en minderjarige zusters te onderhouden. De benoeming had dus ook een praktische en sociale kant, nl. het gezin Van Vught te behoeden om een beroep te moeten op de armenkas. In 1803 bood Jacobus wegens huiselijke omstandigheden zijn ontslag aan, hetgeen de kerkenraad “met leedwesen” aanvaardde. Hiermee kwam een einde aan vier generaties Van Vught.

 

Het onderwijs

Het voornaamste vak op het lesprogramma was het godsdienstonderwijs. Zondagsmiddags werden de schoolkinderen in de kerk uit de catechismus overhoord en na de kerkdienst werden ze uit het kleine- en grote vragenboek van Bortius onderwezen. Een mooi streven, maar kennelijk voelden maar weinig ouders zich verplicht hun kinderen hier naar toe te sturen. Van de schoolmeester werd verwacht dat hij de leerlingen hierop voorbereidde en er voor zorgde dat zij ’s zondags in de kerk verschenen. Zowel die voorbereiding als het aantal leerlingen dat Jacobus van Vught naar de kerk wist te brengen leverde nogal eens problemen op. Af en toe vormden de eigen kinderen van de meester bijna de helft van het aantal aanwezige kinderen.

Met grote ergernis stelde de kerkenraad in 1718 vast dat zij “onder d’voormiddaegs predicatie heeft moeten horen een groot geschreeuw van kinderen buiten d’Kerke, en der achtermiddaegs, wanneer d’pastor-loci nae ’t huys des Heeren gaende, aen den weg op ’t ijs vele jongens by hopen heeft moeten sien, en met ziels droefheid in ’t voorby gaen heeft moeten horen, Gods H. naam met vloeken en sweeren misbruiken”.

De kerkenraad was ontevreden over de kennis van de kinderen. Toen ze daarover vragen stelden, antwoordde Van Vught dat het vragenboekje van Bortius niet genoeg onderwerpen bevatte om goed onderwijs te kunnen geven. Direct de volgende dag stonden de predikant, een ouderling en een diaken op de stoep van de school om dit te controleren. Ze stelden echter vast dat er genoeg onderwerpen waren. Hierop stelde Van Vught dat het noch bij de oude Rumpius (1646-1680), noch bij de jonge Rumpius (1681-1688) en bij ds. Groen (1688-1695) de gewoonte was geweest de kinderen in de kerk te catechiseren. Maar hij zegde toe aan de wens van de kerkenraad tegemoet te zullen komen. Naast een godsdienstige opvoeding was een tweede belangrijk doel van het onderwijs de kinderen op te voeden tot goede en tevreden burgers. Dat betekende dat hen discipline bijgebracht moest worden, al dan niet met de plak, of, in ernstige gevallen, de roede van wilgentakken.

Klassikaal onderwijs was in de 17e en 18e eeuw ongebruikelijk. Het onderwijs moest hoofdelijk gegeven worden: meerdere malen per dag moest de onderwijzer iedere leerling ter overhoring bij zich roepen. De schooltijden werden in het reglement van 1681 nauwkeurig vastgesteld, de school moest in principe het gehele jaar open zijn, zes dagen per week. Twee middagen per week zouden vrij zijn, behalve als de vrije middag samenviel met een katholieke feestdag. Indien echter in de zomermaanden het aantal leerlingen te klein werd, kon de onderwijzer met toestemming van de kerkenraad de school tijdelijk sluiten. Zeer waarschijnlijk was dit in Hengelo elke zomer het geval, zoals in die periode ook de kerkdiensten vaak geen doorgang konden vinden, omdat het merendeel van de kerkgangers het te druk had op het land.

Het toezicht op de school werd uitgeoefend door de Classis van Zutphen. Wanneer de Inspectoren een bezoek brachten aan de predikant om te kijken of alles nog reilde en zeilde volgens de voorschriften, werd ook een bezoek aan de school nooit vergeten. Alles ging schijnbaar naar wens want zoveel er soms gerapporteerd werd over de schoolmeesters uit de naburige dorpen, zo weinig viel er te melden over die van Hengelo.

 

Het eerste schoolgebouw

Over het schoolgebouw vernemen we voor het eerst iets in 1655, wanneer als lidmaat van de Hervormde gemeente wordt ingeschreven: “Gerrit van Zeyst in de schoolmeesters camer”. 23 Jaar later vinden we in hetzelfde register: “Herman woonachtig tegenwoordig in de kamer van het oude schoolmuetien”.

De Gedeputeerden hadden in 1618 besloten dat de zorg voor goede schoollokalen een zaak van de ingezetenen van het kerspel zelf was en niet van het kwartier van Zutphen. Van de periode voor 1680 is niets bekend over nieuw- of verbouw van de school. Uit de kerkrekeningen daarna worden we gewaar waar de school heeft gestaan: “het maken van een slot an die kerckdeure na de schoole”. De school heeft ruim twee eeuwen naast de hervormde kerk gestaan. Nog steeds staat de deur in het midden van de noordgevel bekend onder de naam ‘schooldeur’. Later werd op deze plaats de ‘boterloods’ gebouwd.

De kosten voor het onderhoud werden betaald uit eigen middelen van de kerk. Maar de hervormde gemeente raakte door grote reparaties aan de toren, die enkele malen door de bliksem werd getroffen, in ernstige financiële problemen. Hierdoor moest de Hengelose Mark bijspringen om uit het overschot van de verponding (de belasting voor vaste goederen) van het ambt Hengelo de kosten te dekken. Die Mark was een soort vereniging van grondeigenaren, die van oudsher hun gronden in onverdeeld eigendom bezaten. De Dunsborger en Hattemer Mark die eenderde van dit ambt besloeg, droeg voor een evenredig deel in de onderhoudskosten bij. Bij grote onvoorziene reparaties werden twee of meer stuivers door de geërfden gezet op iedere gulden van de verponding.

In 1771 vond een vergroting van de school plaats. Hiervan is nog een bestek aanwezig. De school werd met 4 meter verlengd, waarvoor de gevel aan de kant van de kerk werd weggebroken. De aanbesteding van het werk “zal geschieden met het schrijven onder houte borden en sal twee mael opgehangen worden”. Nadat het bestek en de voorwaarden in de kerk op 22 augustus van dat jaar waren voorgelezen werd het bord opgehangen. Het hele werk werd door Arent Bretveld aangenomen voor 95 gulden. Dit gebouw heeft tot 1809 dienst gedaan. Een jaar eerder stelde de Markenrichter: “dat de publique school zich in zoo een slechte staat bevind daar geen repareren meer aan is”. Voor 32 gulden en 8 stuivers ging de hele afbraak van de hand. De tekeningen en bestekken voor de nieuwe school werden gemaakt door timmerman Derk Voortman, die tevens de aanbesteding regelde en de geleverde materialen keurde. Ook maakte hij een schrijftafel met bank, die als model moest dienen voor de overige banken. De totale kosten van de nieuwbouw bedroegen ƒ1500, waarvan de Dunsborger en Hattemer Mark weer eenderde deel voor haar rekening nam.

 

Het meestershuis

Bij de toekenning van een tractement in 1610 stelden de Gedeputeerden tevens dat “die van Hengel desen schoolmeester mit eyne vrye woning sullen besorgen”. De plaats van de woning is onbekend, het zal vermoedelijk ook in de buurt van de school (en de kerk) zijn geweest. In augustus 1706 ging deze woning in vlammen op. Op verzoek van de predikant en verscheidene inwoners van Hengelo stelde de Mark 130 gulden beschikbaar voor het bouwen van een nieuwe woning en het kopen van kleren en huisraad voor de vrouw en kinderen van de meester. Ook vond er in 1707 en 1708 een collecte plaats in de naburige gemeenten. Zo schonk het armengilde van Steenderen vier gulden en de Classis zes gulden, maar de totale opbrengst van 107 gulden en 11 stuivers was blijkbaar bij lange na niet genoeg voor de bouw van een nieuw schoolmeestershuis. Het kapitaal werd als lening uitgezet en pas in 1744 weer geïnd.

Toen in 1808 de Drost van het kwartier van Zutphen erop wees dat alles in het werk moest worden gesteld om de staat van het onderwijs te verbeteren, stelde de kerkenraad dat men zich alleen nog een woning voor de schoolmeester zou kunnen wensen. Om de daad bij het woord te voegen werd een diaconiehuisje recht tegenover de school beschikbaar gesteld. Maar gezien de slechte financiële toestand van de diaconiekas wenste men hiervoor wel een schadeloosstelling. Enige jaren later zou de Mark bijspringen om alles ten uitvoer te brengen. Het huisje werd bijzonder geschikt geacht, maar dan moest er eerst nog wel het een en ander aan vertimmerd worden. Er werd honderd gulden beschikbaar gesteld om het huisje van de diaconie over te nemen. Maar toen enige tijd later het afgebrande huis van Harmanus Branderhout te koop werd aangeboden, besloot men de bouwval te kopen en op deze plaats een geheel nieuwe schoolmeesterswoning te bouwen. De woning viel nogal wat duurder uit dan de school. De totale kosten van het huis bedroegen ƒ2982. Derk Voortman zorgde weer voor bestek en tekeningen. In het Markearchief bevindt zich nog een lijst met zo’n 65 namen van personen die materialen hebben geleverd of werkzaamheden hebben verricht. Voor de aanbesteding werd één kan jenever uitgetrokken.

 

Inkomsten en nevenfuncties

In 1610 hadden de Gedeputeerden besloten dat de schoolmeester een tractement van ƒ50 uit de inkomsten van de Geestelijke goederen zou ontvangen. Een tweede bestanddeel van het inkomen moest het schoolgeld vormen. Lezen, waarmee begonnen werd, was het goedkoopste; voor schrijven moest iets extra’s betaald worden en rekenen was twee keer zo duur als lezen. De ouders lieten dit vak daarom vaak niet doorgaan.

Ook de leden van de Mark moesten hun steentje bijdragen in de vorm van de zgn. meestergarven. Van ieder erf mocht de schoolmeester twee garsten rogge (een garst = 4 garven of schoven gemaaide rogge) ontvangen en van ieder half erf één garst. Later kwamen de rekenmeesters tot de ontdekking dat de formele gang van zaken niet geheel juist was. De garsten moesten niet rechtstreeks ten goede komen aan de schoolmeester, maar aan de heren Gedeputeerden, die deze garsten dan weer als extra inkomsten bij hun loon konden toeleggen. Zo waren ze ook wel weer, ook toen al. De Mark moest zich hierbij neerleggen, maar stelde wel vast dat de boeren persoonlijk de meestergarven zouden aanwijzen. Deze traditie is tot in de 20ste eeuw gehandhaafd, maar werd al in de 19e eeuw bij tijd en wijle stopgezet.

Van de diaconie kreeg de meester elk jaar nog een toelage voor het onderwijs aan de kinderen van de armen. Maar hij deed meer om aan de kost te komen. Zo verrichtte hij het schrijfwerk voor de diaconie, de kerkvoogdij, de Hengelose en de Dunsborger en Hattemer Mark. Ook hield hij aantekening van de hoeveelheid turf die jaarlijks gestoken werd en ontving hij voor iedere dag werk aan het opmeten van de afgegraven landen één gulden. Een andere activiteit was het aflezen van publicaties voor o.a. de kerk, de marken, de burgerlijke gemeente, maar bv. ook voor de rentmeester om aan te kondigen wanneer deze in Hengelo zou verschijnen om de verponding te innen. Het aflezen van deze publicaties gebeurde ’s zondags in de kerk, maar na een verbod in 1623 vond dit sindsdien plaats na de godsdienstoefening op het kerkhof. Speciaal voor dit afkondigen werd het zgn. ‘meistersbankje’ gemaakt, dat nog steeds in ere wordt gehouden. Als bescherming tegen het gure weer werd de voorlezer door de burgerlijke gemeente uitgerust met een ‘weerkleed’. Het voorlezen was verbonden aan het schoolmeestersambt, zoals ook dat van voorzanger hieraan verbonden was. Het ambt van koster, dat elders praktisch altijd door de schoolmeester werd vervuld, is alleen door Jacobus van Vught bekleed en dan nog alleen voor een gedeelte ervan. Toen namelijk in 1708 het derde deel door overlijden vrijkwam werd voor het eerst de schoolmeester hiervoor benoemd met toekenning van het daarvoor beschikbare salaris. Dat bracht echter de nodige deining met zich mee, omdat de benoeming was gedaan door de gewone kerkenraad i.p.v. door de Brede kerkenraad. Hierdoor voelde de oude kerkenraad zich gepasseerd. O.l.v. de oud-ouderling richter (Exalto d’)Almeras riepen ze schoolmeester Van Vught ter vergadering en eisten van hem de sleutels van de kerk op. Deze werden vervolgens aan de door hèn benoemde koster overhandigd. Uiteindelijk ging de Brede kerkenraad toch accoord met de benoeming van Van Vught, alleen de richter Almeras was niet bereid tot enige concessie en werd tenslotte door de Classis van het Heilig avondmaal uitgesloten en tevens van alle kerkelijke functies ontheven.

Alles bij elkaar kreeg een onderwijzer in 1799 ƒ50 uit Geestelijke goederen, ƒ50 aan schoolgeld en ƒ30 aan opbrengsten van de rogge. Bij elkaar ƒ130, aangevuld met beloning voor het incidenteel voorlezen van publicaties. In twee eeuwen was het inkomen er dus nog niet veel op vooruit gegaan!

Uit de archiefstukken leren we de schoolmeester kennen als iemand die door zijn kennis in hoog aanzien stond. Maar er ging ook wel eens wat mis. Op een zondag in november 1718 had Jacob van Vught iets te diep in het glaasje gekeken. Toen hij tijdens de dienst de Tien Geboden moest opzeggen bleef hij in het derde gebod steken. Jacobus beloofde plechtig beterschap, maar in 1722 moest hij opnieuw op het matje komen. Voor de aanvang van de dienst had hij op de lei geschreven, dat die dag psalm 56 gezongen zou worden. Dit had hij ook tegen de gemeente gezegd. Maar toen hij het eerste vers oplas, bleek niemand hem te kunnen volgen. De predikant onderbrak hem, maar Jacobus ging vrolijk verder. Het bleek dat hij psalm 65 voor zich had! De gemeente zweeg en dacht er het hare van. En weer beloofde Jacobus beterschap.

 

De Bataafse omwenteling, ook in het onderwijs

De Bataafse omwenteling in 1795 bracht ook voor het onderwijs grote veranderingen. Tot dusverre gingen de onderwijsregelingen voor het platteland uit van de Staten van het Vorstendom Gelre en de Graafschap Zutphen. Na 1795 kwamen er onderwijswetten die voor het hele land van kracht waren. De Fransen waren amper Gelderland binnengetrokken of op 5 januari 1795 werden de Staten van Gelderland afgezet en vervangen door de Provisionele Representanten van het Volk. Toen dit college ruim een maand aan de macht was ging het over tot de afkondiging van de rechten van mens en burger. Voor de municipaliteit (gemeenteraad) van Hengelo moest Jacobus van Vught in 1795 een eed afleggen.

Een jaar later kwam tevens de scheiding van Kerk en Staat tot stand. Hiermee kwam officieel een einde aan meer dan twee eeuwen gezag van de N.H.-kerk op het onderwijsgebied. De verdere ontwikkeling van het lager onderwijs kenmerkte zich door een streven naar verbetering op verschillende terreinen. Allereerst probeerde men bekwame onderwijzers te krijgen als hoofd van de school. Veel inspanning getroostte men zich ook om hun ongewenste bijbanen te beperken. Een ander belangrijk punt was de verbetering van de schoollokalen. Voorts trachtte men de onderwijsmethoden te wijzigen en vooral het hoofdelijke onderwijs te vervangen door klassikaal, terwijl ook aan de invoering van nieuwe schoolboeken veel zorg werd besteed.

 

© w.j.m. hermans 2007

 

 

 


Home