OLD HENGEL

 

De historie van Hengelo Gld

 


 

OUDSTE GESCHIEDENIS (tot 1900)

 

 

De paardenmarkten te Hengelo (G.)

Door G. Langeler (1918)

 “In ’t verleden ligt het heden”.

Dankzij de paardenmarkten is er wellicht geen dorp in den Achterhoek van Gelderland, dat in de loop der jaren, men mag wel zeggen eeuwen, door meer ‘vreemdelingen’ is bezocht dan Hengelo. Van heinde en verre, tot zelfs van ver over onze grenzen, kwam en komt men naar de “Hengelsche Peerdenmarkt” en op de drukke najaarsmarkten kent men het anders zoo stille en rustige, min of meer afgelegen dorp, ternauwernood terug.

Herhaaldelijk is de vraag gesteld: Hoe oud zijn de markten? Noch bij navraag bij verschillende ingezetenen, noch ten gemeentehuize kon ik daaromtrent eenig licht opsteken. Toch ben ik er eindelijk in geslaagd, van welwillende zijde daartoe in staat gesteld, den geboortedatum op te sporen en kunnen wij meedeelen, dat de Hengelosche Paarden- en Beestenmarkt op Michaëlis-avond (28 Sept.) door het Hof van Gelderland op 26 mei 1658 is ingesteld. De stichtingsbrief, welke geregistreerd in het Rijksarchief te Arnhem voorkomt (Commissieboek des Hoves van Gelderland, deel V fol. 94), luidt als volgt:

            Octroy van een perden- ende beestenmerckt tot Hengeloe:

Wij Raden in name van de Heeren Staten des furstendoms Gelre ende graefschaps Zutphen allen dengeenen, die desen voorcommen sal, salut.

Doen te weten, also die geërfden ende ingesetenen van Hengelo ons hebben te kennen gegeven, dat sij op den laatst geholdenen landtdach binnen Zutphen aan gedachte heeren Staten hadden aengeholden om gebeneficieert te moghen worden met eene peerden- ende beestenmarckt jaerlicks, ende alle jaer op Michaëlis-avont tot Hengelo voorn. te holden, so is ‘t, dat volgens ende uijt cracht van de resolutie ende authorisatie, van welgedachte heeren Staten op den voorn. landtdach den 15 Juni 1657 genomen, nae voorgaende citatie tegens alle diegeene, die eenich interest souden vermeenen te hebben bij ’t vergunnen van den voorn. Peerden- ende beestenmerckt, ende dat denselven geïntereseerden, vermits nymant ten daeghe, dienende en compareerde, een euwigh stilswijghen was opgelecht vermogens sententie op huyden daervan uitgesproocken. Wij in name als boven tot meerder bevorderinghe van welstant, neeringhe ende traffieque den voorn. van Hengelo geoctroyeert, vergont ende geaccordeert hebben, octroyeren, vergunnen en accorderen hiermede, dat sij van nu voortaen – den voors. peerden- ende beestenmaerckt alle jaeren op Michaëlis-avont sullen mogen houden ende celebreren; willende mitsdien, dat elck een denselven in voeghen boven verhallt frequenterende ende persoonen met si in vee gebruijckende, genieten sodanighe rechten ende vrijheijden als van oldts tot vrije merckten si in staende ende behoorende. Ordonnieren daerom en bevelen hiermede allen drossarden, scholten, magistraten, richteren, voochden, officieren, ingesetenen ende eenen iederen, die dit aengaen magh, om den voors. peerden- ende beestenmerckt sullen kommen te frequenteren, den effecte van desen vrij ende onbeleth genieten ende gebruijcken te laten. Ende opdat een ieder daervan wetenheijt hebben moge, sullen die voors. geërfden ende ingesetenen van Hengelo van de jegenwoordighe toelatinghe ende concessie affisie moghen doen.

Dier t’oirconde hebben wij des Furstendoms Gelre ende Graefschaps Zutphen, grote segel onder aen desen brieff doen ende heijten hanghen.

            Gegeven t’ Arnhem den 26 Maii 1658.

 

Het oorspronkelijke stuk, dat aan den richter van Hengelo zal zijn gezonden, is verloren gegaan, misschien wel bij den groote brand in Mei 1864 toen ook een deel van het archief der gemeenten een prooi der vlammen werd.

Opmerking verdient, dat uit het octrooi blijkt, dat de veemarkt, hoewel zij – althans voor zoover bekend – nooit van buitengewone beteekenis is geweest, even oud is als de paardenmarkt. Hoewel de markt in 1658 is ingesteld, mogen we toch vewilig aannemen, dat reeds lang voor dien tijd in Hengelo, een handel in paarden werd gedreven, de behoefte tot het houden van een markt steeds groter werd, tot zij eindelijk in genoemd jaar officieel werd erkend.  

            Hengelo is een der zeer weinige marktplaatsen in Gelderland – wij beperken ons tot deze provincie – welke in den loop der jaren hun oude roem hebben kunnen handhaven, ja, zelfs in bloei zijn toegenomen, getuige het feit, dat thans veertien markten jaarlijks worden gehouden.

Moge Hengelo tot de oudere paardenmarkten in Gelderland behooren, de oudste in dit gewest is zij niet.

Om hiervan een overzicht te verkrijgen, laten wij hier de plaatsen en stichtingsjaren volgen van de andere paardenmarkten, door het Hof van Gelderland (1543 – 1795) ingesteld:  

Baar en Lathum 1692  Hien en Dodewaard 1788
Barneveld   1690 Horssen    1736  

Beesd 

1620  Lichtenvoorde 1645  
Driel    1631 Maurik   1786  
Elst    1720  Nijkerk 1639  
Geldermalsen       1716 Wageningen  1647  
Gent      1724   Winssen 1670  
Hedel   1719 Wijchen 1646  
Heerewaarden 1611 Zoelen 1750  

 

De meeste dezer markten worden niet meer gehouden of zijn sterk in beteekenis achteruitgegaan. Ook hebben steden als Zutphen, Lochem, Doetinchem, Doesburg en Tiel misschien al voor de instelling van het Hof paardenmarkten bezeten, doch van de meeste dezer is de beteekenis als paardenmarkt gerust als nihil te reduceeren. Zij bestaan in hoofdzaak “in den almanak”.

Omtrent paardenmarkten in de middeleeuwen vinden we alleen iets opgeteekend omtrent Beusichem. In 1464 werd al van een paardenmarkt gewag gemaakt, zoodat aan Beusichem de eer toekomt, de oudste paardenmarkt in Gelderland te bezitten. In Nederland had Zuidlaren in 1232 al een paardenmarkt.

Uit bovengenoemd lijstje valt op te maken dat de paardenfokkerij in de Betuwe van groote beteekenis is geweest. In het kwartier van Zutphen vinden we slechts drie marktplaatsen, nl. Baar en Lathum, Lichtenvoorde en Hengelo, waarvan de beide eerstgenoemden tot de geschiedenis behooren.

De markt te Lichtenvoorde, hoewel 13 jaar ouder dan die te Hengelo, heeft voor deze de vlag moeten strijken, wellicht doordat zij ongeveer drie weken later werd gehouden; zij viel nl. op St. Gallendag (16 Oct.). Ook wil ’t mij voorkomen, dat Lichtenvoorde op het gebied van paardenhandel een ongunstiger ligging innam dan Hengelo, daar laatstgenoemde plaats meer in de nabijheid van de IJsselstreek is gelegen, waar uiteraard de paardenfokkerij van meer belang was dan in het Oosten van de Graafschap, waar bovendien voor landbouwwerk meer gebruik werd gemaakt van den trekos. Nog een andere oorzaak deed in de tweede helft der 17de eeuw de paardenmarkten in de Graafschap in bloei verminderen, nl. het gebruik van ongeschikte dekhengsten. Door het gewestelijk bestuur van Gelderland werd den 11en September 1682 een placaat uitgegeven, waarvan de aanhef luidde:

            Wij, Ridderschap en Steden der Graafschap Zutphen doen te weten: Als er te vreesen stat, dat door het houden van cleijne, jonge, slechte en onbequaeme springhengsten in deese Graafschap de generatie en de opfockinge van goede paarden daegelijx meer en meer mochte komen te verargeren, tot nadeel van de ingesetenen en tot groten ondienst en verval van de paerdenmarckten; zoo is ‘t, dat wij daerinne willende voorsien, tot conservatie van de oude luijster en reputatie van deeser Graefschapspaerden, alsmede om de aestimatie derselver te doen opclimmen, hebben geordonneert en gestatueert, gelijk wij ordonneeren en statuteeren bij deesen.

Uit den aanhef blijkt dus, dat er maatregelen moesten worden genomen, om het ras niet verder te doen achteruitgaan, dat de paardenmarkten in verval verkeerden, maar ook, dat de paarden uit onze omgeving reeds toen een ‘oude luijster en reputatie’ genoten.

In het placaat werd verder bepaald, dat alle hengsten binnen twee maanden na publicatie van het placaat, “zonder fout of uijtstel” moesten verhandeld of gesneden worden “te waere dat eenige van dezelve tot springhengsten wierden goedgekeurt.”

In 1682 werd dus reeds in deze provincie een hengstenkeuring ingevoerd. Het placaat bevatte voorts de eischen, waaraan de hengsten voor het vervolg moesten voldoen om goedgekeurd te worden. Deze waren: “De fockhengsten moeten zijn vast en wel gesloten van lijf, klaer van oogen, fijn en welbesneden van kop, helder van beenen, niet schuiloorig, speckhalsig, volvoetigh, dampigh noch kribbenbijtende.”

Ter nakoming van al de bepalingen van het placaat werden als commissarissen benoemd de heeren Robert van Heeckeren tot Enhuijzen en Jan Herman van Nagel tot Ampsen, Bartholdt van Diemen, burgemeester van Zutphen en Balthasar van Haghen of Dr. Arnoldt van Dam, burgemeester van Doetecom.

Uit een en ander blijkt voldoende, dat men in die dagen al vrij goed op de hoogte was van het exterieur van het paard en zoowel de verborgen, als de zichtbare gebreken reeds naar waarde wist te schatten, maar tevens, dat het er met den paardenhandel en de paardenmarkten niet rooskleurig uitzag. In hoeverre dit placaat verbetering in den toestand der markten heeft gebracht, valt niet na te gaan. De geschiedenis heeft echter geleerd, dat de Hengelosche markt aan den druk der tijden voldoende weerstand heeft kunnen bieden.

Een afdoende verklaring voor de opkomst en de bloei der Hengelosche markt is niet te geven. De meening, dat oudtijds in Hengelo de castreur (hengstensnijder) woonde en daardoor van lieverlede een markt ontstond, lijkt mij wel wat apocrief, daar de meeste veulens in het voorjaar gesneden worden en de markt juist in het najaar werd gehouden. Meer waarschijnlijk is ‘t, dat Hengelo door de wellicht toenmaals gunstige ligging, de uitverkoren marktplaats werd. En wie zegt ons, of niet een krachtig initiatief van toenmalige ingezetenen – al zijn hunne namen onbekend gebleven – een sterke steun voor de markt is geweest!

Zooals uit den stichtingsbrief blijkt, werd oorspronkelijk slechts één markt gehouden en wel op Michaëlis-avond, dus op een vaste datum. De eerste markt, 28 September 1658, viel op Zaterdag. Dat ook op Zondag markt werd gehouden, was voor dien tijd niets bijzonders. Zelfs nog heden ten dage worden op tal van plaatsen jaarmarkten en kermissen op Zondag gehouden. Eerst veel later, in de tweede helft der vorige eeuw, werden alle marktdagen op Woensdag gezet. Van den Woensdag is, voor zoover mij bekend, later nooit afgeweken.

De St. Michielsmarkt is tot op den huidigen dag de meest belangrijke gebleven en het is wel merkwaardig, dat aan deze markt nooit eenige feestelijkheid of vermakelijkheid is verbonden geweest; zelfs de jaarlijksche verloting, naar ik meen ingesteld in 1898, werd aan deze markt onthouden en aan de Koldemarkt verbonden.

Omtrent de markten der eerste jaren weten wij met zekerheid niets. De zgn. handelsusantiën, als ‘afzien’ op oogen en ademhaling, zullen ook toen al wel bestaan hebben. Vermoedelijk werden oorspronkelijk de markten op het kerkplein, d.i. buiten den kerkhofmuur gehouden, zooals eertijds gebruikelijk was.

Het vrij groote aantal straten en gangen, dat nog heden tot het kerkplein toegang geeft, wijst er nog wel eenigszins op, daar zij uitstekend als monsterterrein konden dienen. Of bij den aanvang en het eindigen der markt de klokken werden geluid, of bij de opening een kruis werd opgericht, zooals in de middeleeuwen de gewoonte was, valt alleen te veronderstellen, en voor wat het laatste betreft, zelfs te betwijfelen.

Eerst in later jaren, toen de markt allengs het karakter van een jaarmarkt kreeg, zal de paardenmarkt naar het einde der Spalstraat zijn verplaatst. Thans vindt men in de onmiddellijke nabijheid der kerk nog de schapen- en varkensmarkten, terwijl de beestenmarkt het begin der Spalstraat inneemt. Verder vindt of vond men op de groote markten om de kerk kuipwerk, ijzerwaren, schoenwerk, manufacturen, kramerijen, koek, kaas, visch, leder, touwwerk, zadelmakersartikelen, aardewerk, en in het najaar kool, uien, peen, enz., terwijl in vroeger jaren veel vlas, hennep en houten gebruiksvoorwerpen werden aangevoerd.

De veemarkten werden, bij het heerschen van besmettelijke ziekten als veepest en mond- en klauwzeer, af en toe verboden. Hoewel ons land in de 18de eeuw herhaaldelijk door veepest werd geteisterd, nl. in 1713, 1740 – 1757 en 1768 – 1780, werd in 1768 voor het eerst het marktverbod als bestrijdingsmiddel toegepast. Hoe ontzettend de ramp in die jaren was, moge hieruit blijken, dat alleen in de gemeente Hengelo in de jaren 1768 – 1774 niet minder dan 1466 runderen aan veepest stierven, waarvan 793 in 1774. De grootte van de veestapel in dien tijd in aanmerking genomen, is dit aantal ontzaglijk groot. Ook ten opzichte van boeren en vervoer van vee werden tal van beperkende bepalingen vastgesteld, zoodat valt aan te nemen dat ook de paardenmarkten er  onder leden. In 1865 deed de gevreesde ziekte wederom haar intrede in ons land, tot zij in 1867 verdween.

Niettegenstaande de verschillende tegenspoeden, begon de markt meer en meer in een bepaalde behoefte te voorzien, daar langzamerhand het aantal jaarmarkten werd uitgebreid. Ofschoon gegevens hierover ontbreken, is het waarschijnlijk, dat eerst de kermismarkt is bijgevoegd. In een oude Provincialen Gelderschen Almanak van 1796 worden reeds vijf markten vermeld, nl. Woensdag 27 April (Meimarkt), Donderdag 12 Mei (Pinkstermarkt), Woensdag 6 Juni (Kermismarkt), Woensdag 28 September (St. Michielsmarkt) en Dinsdag 15 November (Koldemarkt).

De Laurentius- of Knollenmarkt is ergens tussen 1796 en 1835 ingevoegd; de overige na 1850.

 

 

© w.j.m. hermans 2007

 

 

 


Home